Skip to main content
home-page
Deel op facebook
Deel op twitter
home-page
Deel op facebook
Deel op twitter

“Het aanbod alternatieve woonvormen is te klein voor de groeiende vraag van een steeds diverser wordende ouderenpopulatie”

20-12-2023

‘Senioren gaan samen op kot’ of ‘Drie generaties onder één dak’ zijn krantenkoppen die steeds vaker verschijnen. Nieuwe woonvormen voor ouderen zijn in trek, het thema leeft. Toch is het deel ouderen dat ervoor kiest nog eerder beperkt. Wat begrijpen we onder deze woonvormen? Waarom zouden we hiervoor kiezen als we ouder worden? En waarom krijgen ze moeilijk voet aan de grond? An-Sofie Smetcoren is professor aan de Vrije Universiteit Brussel. Binnen de groep Society and Ageing Research Lab leidt ze verschillende projecten binnen de onderzoekslijn ‘Wonen en woonomgeving’. Ze doctoreerde in 2016 op het thema ‘ouderen en wonen’ en ook vandaag blijft dat de kern van haar onderzoek. In dit opiniestuk vertelt ze waarom alternatieve woonvormen een goede aanvulling vormen op het bestaande woonpartrimonium, en welke drempels er nog zijn ondanks de groeiende interesse. Breed scala aan alternatieve woonvormen Afgelopen jaren merkten we een groeiende aandacht voor alternatieve woonvormen. Zowel in de samenleving, in de media als in internationaal onderzoek. Maar het blijft een wirwar van benamingen waarover best nog veel onduidelijkheid bestaat. Ook al doen organisaties zoals bijvoorbeeld Samenhuizen vzw pogingen om daar klaarheid in te scheppen. Kortweg ligt bij dergelijke woonvormen de focus eerder op het zelfstandig wonen dan op het zorgaspect, zoals we dat kennen binnen een woonzorgcentrum of assistentiewoning. Daarnaast is in veel gevallen ook een collectieve component aanwezig en spreken we eerder van gemeenschappelijk wonen. De meest bekende benaming is misschien wel cohousing en verwijst naar een woonvorm waar bewoners naast hun privéruimte ook bepaalde leefruimtes delen. Zo is er in deze woonvorm vaak een gedeelde keuken en woonruimte aanwezig waar bewoners enkele keren per week afspreken om samen te eten. Gelijkaardig is co-wonen. Het verschil is dat bewoners in deze woonvorm geen ‘leef’ maar eerder praktische ruimtes delen, zoals een tuin, wasruimte, werkatelier enzovoort. Zowel binnen cohousing als co-wonen worden de gedeelde ruimtes op die manier georganiseerd dat spontane interactie tussen de bewoners mogelijk wordt. De bedoeling is echt om een gemeenschap te vormen onder de bewoners: elkaar ontmoeten, leren kennen, samen activiteiten ondernemen en mogelijks elkaar uiteindelijk ook ondersteunen. Daarnaast staat het zelfbeheer van de bewoners centraal. Zij bepalen het doen en laten in de woongroep. Dergelijke woonprojecten kunnen ontstaan op initiatief van burgers, of onder leiding van een organisatie. Abbeyfield Vlaanderen zet bijvoorbeeld cohousingprojecten op voor 55-plussers, waarbij een team van gemotiveerde professionals en vrijwilligers toekomstige bewoners doorheen het traject begeleidt en ook na bewoning blijft ondersteunen. Nog een andere bijzondere, intergenerationele, woonvorm is kangoeroewonen. Je treft er gewoonlijk niet het Australische dier aan. Wel gezinnen van verschillende generaties. Vaak de combinatie van een jonger gezin met een oudere persoon, een ouder gezin of een persoon met een handicap. Ze spreken af om gemeenschappelijk te wonen en er is extra aandacht voor een zorgrelatie die reeds aanwezig is of anticiperend op de toekomst. Vaak wordt dat in familieverband georganiseerd, maar dat is niet noodzakelijk. Minister Hilde Crevits woont op die manier samen met haar kinderen, ouders én schoonouders, en omschrijft het als ‘zelfstandig en elk apart, maar toch met elkaar verbonden’. Hieronder valt ook een zorgwoning, een specifieke vorm van gemeenschappelijk wonen die vandaag ook als enige is opgenomen in de Vlaamse regelgeving.     Minister Hilde Crevits woont samen met haar kinderen, ouders én schoonouders, en omschrijft het als ‘zelfstandig en elk apart, maar toch met elkaar verbonden’.   Als bewoners samenleven onder één dak met beperkte privéruimte, doen ze aan huisdelen. Een bekende vorm van huisdelen is de woongroep, waarbij bewoners een gezinswoning delen met een eigen slaapkamer en soms een eigen badkamer. Denk aan jonge starters die samenwonen om de kosten te delen, maar ook ouderen die samenwonen om elkaar te helpen. Een andere vorm van huisdelen is de leefgemeenschap, waar mensen sterk verbonden zijn met elkaar, bijvoorbeeld door religie of een sociaal engagement. Er is echter nog een breder scala aan woonvormen en concepten dan enkel deze bovengenoemde, denk maar aan centraal wonen, gestippeld wonen en harmonica-wonen. Niet iedereen wil ‘alleen’ thuis blijven wonen We spreken in de internationale literatuur vaak van ‘Ageing in place’: ouderen die thuis blijven wonen. Onderzoek toont aan dat het overgrote deel van ouderen zo zelfstandig mogelijk thuis wilt blijven wonen. Maar niet voor iedereen wil dat zeggen dat dat moet in de vertrouwde gezinswoning waar iemand vaak al decennia woont. Zo kunnen er fysieke redenen zijn waarom ouderen niet meer thuis willen wonen, bijvoorbeeld wanneer de woning niet meer aangepast is aan veranderingen in gezondheidssituatie of mobiliteit (bijvoorbeeld veel trappen in de woning). De plek waar de woning ligt kan ook een reden vormen, zo wil men misschien in de natuur of dichter bij de stad wonen. En natuurlijk spelen sociale aspecten ook een rol in de beslissing om te verhuizen, en dan zeker naar een alternatieve woonvorm waar er een zekere mate van samenleven met anderen aanwezig is. Zo kiezen heel wat ouderen voor een dergelijke woonvorm omwille van de sociale omgeving waarin iemand terechtkomt en het gevoel van veiligheid door de sociale controle die daarbij komt kijken. Want wie naar een samenhuisvorm verhuist, kiest er bewust voor om nieuwe sociale relaties op te bouwen met (nieuwe) mede-bewoners, om zorgzame relaties op te bouwen en om (in meer of mindere mate) deel te nemen aan gezamenlijke activiteiten. Onderzoek toont dat voornamelijk (maar niet uitsluitend) alleenstaanden en vrouwen zich aangesproken voelen tot deze woonvorm. Zo toont ook de getuigenis van Angele (92) tijdens de campagne Kopzorgen. Zij woont samen met zeven vrienden en vriendinnen, waaronder zes alleenstaanden en één koppel, in cohousingproject Villa de Proost in Aarschot.   “Ik woonde alleen in een groot huis. Mijn kinderen kwamen af en toe langs en ik had poetshulp, maar verder zag ik niemand. Dankzij cohousing ben ik niet meer eenzaam.”Angele (92)   Tot slot kunnen er ook ecologische of financiële redenen zijn waardoor iemand wenst om naar een alternatieve woonvorm te verhuizen. Er worden vaak heel wat dagelijkse benodigdheden in dergelijke projecten gedeeld, zoals een wasmachine, auto, tuin- en werkmateriaal. Sommige projecten hebben extra aandacht voor duurzaamheid. En er zijn ook projecten waarbij de huurprijs lager ligt dan op de klassieke huurmarkt. Sommige ouderen verkiezen dus om naar een dergelijke woonvorm te verhuizen, omdat ze onvoldoende budget of energie hebben om hun huidige woning grondig aan te passen. Toch mogen we dit niet idealiseren, want de prijs is meteen ook één van de grote struikelblokken waarom dergelijke woonvormen nog onvoldoende van de grond komen. Heel wat van deze projecten kosten namelijk behoorlijk wat geld bij de opstart. De vraag groeit, het aanbod niet We merken dat er een stijgende vraag is naar innovatieve woonvormen en ook verschillende onderzoeken tonen aan dat steeds meer ouderen hier interesse in hebben. De publicatie ‘Levenskeuzes op latere leeftijd bij 60-plussers’ van de Koning Boudewijnstichting geeft aan dat voor 10% van de ouderen uit hun bevraging groepswonen een optie is en 12% overweegt kangroeroewonen of zorgwonen. Ook in ons HOUSE-project, waarin we samen met Universiteit Hasselt onderzoek voeren naar innovatieve woonconcepten, merken we de nood aan meer en betere informatie hierover. Binnen dit onderzoeksproject spraken we met 75 ouderen over hun woon-levensverhaal: het verleden, de huidige woning, hoe ze kijken naar hun toekomstige woonhoofdstuk en wat ze daarbij belangrijk achten. Daaruit bleek dat best wat mensen niet vinden wat ze zoeken in het huidige woon(zorg)aanbod. Dat bleef voor hen vaak beperkt tot het woonzorgcentrum of verhuizen naar een appartement of serviceflat. Tegelijkertijd werd door verschillende ouderen ook het samenwonen met anderen aangehaald als interessante piste. Maar vaak weten ze niet waar ze de zoektocht moeten beginnen of ontbreekt het aanbod op de plek waar ze willen wonen. Maar een betere informatiecampagne alleen zal het potentieel van deze woonvormen niet redden. Wil je als burger een project starten zonder begeleiding van een organisatie? Dan ben je al snel zo’n tien jaar bezig. Dat werkt ontmoedigend en vraagt daarnaast heel wat juridische en financiële kennis. Daarom is het goed als toekomstige bewoners zich laten begeleiden door organisaties, zoals bijvoorbeeld Samenhuizen of Abbeyfield, die informatie of ondersteuning bieden bij het vinden van een locatie, de bouwplannen, begeleiding bij juridische en financiële processen en meer.   Een andere moeilijkheid? Er is geen eenduidig beleidskader voor alternatieve woonvormen.    Een andere moeilijkheid is dat er geen eenduidig beleidskader is voor alternatieve woonvormen. Daarbij hinken we achterop met onze buurlanden, met uitzondering van Brussel als voorzichtige pionier in het regulariseren van gemeenschappelijke woonvormen. Bovendien heb je de verschillende bevoegdheden die aan alternatief wonen raken: welzijn, wonen en ruimtelijke ordening. Deze domeinen wijzen in elkaars richting, maar ze zouden juist kunnen samenwerken en een gemeenschappelijk kader uitwerken om deze verschillende woonvormen, voor ouderen, beter mogelijk te maken. Toch zien we dat naast organisaties en ouderen zelf, ook best wat lokale overheden de piste rond deze woonvormen aan het verkennen zijn. Een recent voorbeeld toont bijvoorbeeld de stad Mechelen die een modelconvenant rond cohousingsprojecten lanceerde in december 2023 om zo als stadsbestuur beter te kunnen inspelen op hedendaagse woonbehoeften van haar inwoners. Binnenkort opent er ook een nieuw Abbeyfieldhuis in een voormalig hotel. Eerder dit jaar publiceerde de Vlaamse Bouwmeester de gids ‘Samen Wonen Ontwerpen’, die ontwerpers moet inspireren voor de realisatie van een toekomstbestendig woonlandschap in Vlaanderen. De vraag naar alternatieve woonvormen stijgt dus duidelijk, en we zien dat burgers en ook heel wat andere actoren er klaar voor zijn. Maar de regelgeving en dus het aanbod volgen nog niet om aan de vraag te kunnen voldoen. De voordelen van alternatieve woonvormen Verschillende onderzoeken legden al verschillende voordelen bloot die ouderen ervaren eens ze de overstap maken naar een alternatieve woonvorm. Ten eerste is er de wederzijdse zorg en ondersteuning die bewoners elkaar kunnen bieden. Bijvoorbeeld boodschappen doen of eten maken. Voor zichzelf zorgen verloopt vlotter. De zelfredzaamheid wordt groter. Vooral voor ouderen die niet of weinig kunnen rekenen op familiale steun, is dat een belangrijk voordeel van alternatieve woonvormen. Ten tweede heerst er in alternatieve woonvormen een gevoel van verbondenheid. Gedeelde ruimtes zorgen bijna vanzelf voor dagelijkse sociale interacties en bewoners zijn actief betrokken bij elkaars welzijn. Die verbondenheid geldt trouwens ook voor de bredere omgeving. De gedeelde ruimtes van sommige woonprojecten kunnen worden gebruikt door verenigingen uit de buurt. Zo versterken bewoners hun sociaal netwerk, en dat is cruciaal voor hun welzijn. Als je weet dat sociaal isolement nefast kan zijn voor iemands gezondheid, is dat een extra sterk voordeel van alternatieve woonvormen.   Gedeelde ruimtes zorgen bijna vanzelf voor dagelijkse sociale interacties en bewoners zijn actief betrokken bij elkaars welzijn.   Ten derde is de woonomgeving in alternatieve woonvormen vaak voldoende aangepast aan de fysieke noden van ouderen en wat de veiligheid ten goede komt. Denk aan voldoende verlichte ruimtes, ingrepen om vallen te verhinderen, rolstoelvriendelijke toegang, verschillende vervoersmogelijkheden enzovoort. Dat bevordert ook nog eens deelname aan activiteiten en versterkt de sociale banden nog meer. Uiteraard brengt samenwonen met anderen ook uitdagingen met zich mee, zoals conflicten onder de bewoners, individuele wensen en noden die niet altijd overeenkomen met die van de groep, inboeten op privacy enzovoort. We mogen er ook niet automatisch van uitgaan dat er een zorgzame relatie tussen alle bewoners ontstaat. Toch wegen de voordelen vaak niet op tegen de mogelijke nadelen. Een opmerkelijke constatering uit onderzoek is dat veel bewoners, eenmaal ze verhuisd zijn naar een alternatieve woonvorm, sterk overwegen om daar nooit meer weg te gaan. Inspirerend voor woonzorgcentra Alternatieve woonvormen kunnen een antwoord bieden op de woonbehoeften van huidige en toekomstige ouderen. Al zijn ze niet voor iedereen de oplossing. Dat betekent dus niet dat andere, eerder traditionele, woonzorgvormen, zoals assistentiewoningen en woonzorgcentra, volledig moeten verdwijnen. De ontwikkeling van dergelijke alternatieve woonvormen kan bovendien inspirerend zijn voor woonzorgcentra. Bijvoorbeeld om zich kleinschaliger te organiseren, meer ingebed in de buurt en waar de nadruk veel meer op wonen komt te liggen. Beschouw alternatieve woonvormen als een uitbreiding van het huidige woonaanbod in de klassieke zorg. Daarmee onderschrijven we ook de opinie van Margot Cloet, voorzitter van Zorgnet Icuro, waarin ze woonzorgcentra omschrijft als een schakel in een hele zorgketen. Maar dat betekent dus ook dat alternatieve woonvormen zo’n schakel zijn, en nu is het aanbod gewoonweg te klein voor de groeiende vraag van een steeds diverser wordende ouderenpopulatie.

"Oud word je liefst niet alleen"

20-12-2023

Heel wat ouderen laten ons via Bepaal je eigen verhaal weten, dat ze openstaan voor alternatieve woonvormen. Maar vaak botsen ze op de betaalbaarheid ervan en op wettelijke moeilijkheden. Anja Declercq, directeur van LUCAS- Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy van KU Leuven, breekt een lans voor een structureel en betaalbaar aanbod van alternatieve woonvormen waarbij ouderen samenwonen of co-housen. Ze ziet er heel wat oplossingen in, onder meer om eenzaamheidsgevoelens bij ouderen te doen afnemen.   Misverstanden de wereld uit  Het is een misverstand dat ‘alle’ of ‘de meeste’ ouderen hulpbehoevend zijn. De meeste ouderen wonen zelfstandig thuis en kunnen zelf huishoudelijke en andere taken uitvoeren. Vele ouderen bieden zelfs hulp aan anderen. De Zorgenquête 2021 van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin toont dat bijna 22% van de Vlaamse mantelzorgers ouder is dan 65 jaar. Ze geven hulp en ondersteuning aan partners, ouders, kinderen of vrienden.   Ook bij de zorgvrijwilligers zijn ouderen sterk vertegenwoordigd: bijna 40% is 65 jaar of ouder. Dat op zich nuanceert al de stigmatiserende krantenkoppen over de kosten van de vergrijzing die de pan uitswingen. De economische waarde van de mantelzorg die ouderen geven en het vrijwilligerswerk dat ze doen, is niet te onderschatten.  Uitgebreid maar versnipperd zorgaanbod   Wanneer iemand dan toch moeite krijgt met wat men ‘activiteiten van het dagelijkse leven’ noemt, zoals poetsen, boodschappen doen of koken en in een latere fase ook met zich wassen en andere meer persoonlijke taken, dan is er vaak hulp beschikbaar. Uit de Zorgenquête 2021 blijkt eveneens dat 21,7% van de Vlaamse 65-plussers mantelzorg krijgt. Bijna 5% krijgt hulp van een zorgvrijwilliger en 21,1% krijgt professionele hulp. Velen combineren verschillende vormen van hulp en ondersteuning. En ongeveer 8% van de 65-plussers woont in een woonzorgcentrum. Het gaat vooral om oudere ouderen met ernstige fysieke en/of cognitieve problemen. In 2020 was hun gemiddelde leeftijd 87 jaar.  Het zorgaanbod is in Vlaanderen erg uitgebreid en behoorlijk toegankelijk. Er zijn uiteraard werkpunten. Zo heeft de gezinszorg nood aan verdere uitbreiding van het aantal gesubsidieerde uren en is het aanbod niet in elke regio even groot. Het landschap is ook erg versnipperd, wat het moeilijk maakt voor de gemiddelde burger om goed zijn of haar weg te vinden. Daar wordt evenwel aan gewerkt via initiatieven van de Vlaamse overheid zoals Alivia en de Eerstelijnszones.   Eenzaamheidsgevoelens  Maar een mens is meer dan een lichaam. Sociaal contact en het gevoel deel uit te maken van een samenleving, zijn minstens even belangrijk als praktische zorg en ondersteuning. Uit een onderzoek dat de Koning Boudewijnstichting liet uitvoeren, blijkt dat veel ouderen eenzaam zijn en dat dat probleem eerder toe- dan afneemt. Bovendien nemen deze gevoelens toe met de leeftijd. 17% van de 75- tot 79-jarigen voelt zich meerdere keren per week tot zelfs dagelijks (6%) eenzaam. 36% voelt zich af en toe eenzaam. Slechts 44% voelt zich nooit eenzaam. Bij de 80- tot 84-jarigen zijn de cijfers zelfs nog prangender. Eenzaamheid is sterk gerelateerd aan gezondheidsproblemen. Onderzoek wijst uit dat eenzaam zijn hetzelfde effect heeft op de gezondheid als het roken van vijftien sigaretten per dag. En dat herstel na een medische ingreep minder goed verloopt bij wie eenzaam is.      Sociaal contact en het gevoel deel uit te makenvan een samenleving, zijn minstens even belangrijkals praktische zorg en ondersteuning.   Eenzaamheid en sociaal isolement zijn niet hetzelfde. Eenzaamheid is een subjectief gevoel, sociaal isolement is een objectief beperkt aantal contacten. Beide zijn uiteraard gerelateerd, maar vallen niet samen. Ook het sociaal isolement neemt toe. Ongeveer een derde van de 65-plussers woont alleen. Door demografische evoluties en door veranderende patronen in relaties groeit dit percentage jaar na jaar. Alleen wonen impliceert niet alleen dat er geen inwonende mantelzorger is die eventueel wat meer intensieve zorg kan bieden. Het verhoogt ook de kans op sociaal isolement en eenzaamheid.   Ontmoeting verbetert de levenskwaliteit  Ruimte geven aan ontmoeting impliceert dus het verbeteren van de kwaliteit van leven en het preventief werken aan gezondheid. Dit kan op elk schaalniveau. Het dichts bij huis zijn de straat en de tuin. Een verbreding van het voetpad met een zitbank, een autoluw plein, een straatfeest, een gedeelde tuinstrook. Op niveau van de buurt kennen we parken en pleinen, maar voor veel ouderen zijn vooral de publieke binnenruimtes van grote waarde: de bibliotheek, het restaurant van het lokaal dienstencentrum of het buurtcentrum. Het zijn laagdrempelige plekken die openstaan voor iedereen, met de nodige voorzieningen, zoals sanitair, zitgelegenheid en cafetaria.     Ruimte geven aan ontmoetingimpliceert dus het verbeteren van de kwaliteit van levenen het preventief werken aan gezondheid.    Naast deze geprogrammeerde ruimtes heeft een buurt ook nood aan plekken waarvan de functie of het gebruik niet helemaal vastligt. Hier kunnen initiatieven spontaan ontstaan. Het zijn ruimtes die kansen bieden aan dat wat in het reguliere aanbod nog niet bestaat of geen plaats vindt. Daar liggen dus kansen voor lokale besturen en voor ruimtelijke ordening.  Maar ook wanneer die ruimtes er zijn, dan zijn de mogelijkheden tot ontmoeting vaak geconcentreerd tijdens een deel van de dag. Dienstencentra, buurtwerkingen en andere initiatieven voorzien vooral in de namiddag activiteiten. En dan is men toch nog vaak alleen ’s ochtends, ’s avonds en ‘s nachts. Eenzaamheid betreft ook het niet kunnen delen van dagdagelijkse dingen, zoals tv kijken of een praatje bij het ontbijt. Of de wetenschap dat er nog iemand in huis is voor het geval er iets onaangenaams gebeurt.  Hiaten in het zorgsysteem  Ons zorgsysteem biedt hier vooralsnog geen antwoord op. In een assistentiewoning leeft men ook alleen en wie geen zware zorgbehoefte heeft, kan niet in woonzorgcentrum terecht. Nochtans bieden zich regelmatig mensen aan bij woonzorgcentra omwille van een eenzaamheidsproblematiek. Ze voelen zich niet goed bij het alleen zijn en zijn soms angstig. Woonzorgcentra richten zich echter steeds meer – met uitzonderingen – op mensen met een zware zorgproblematiek. De wijze waarop ze worden gesubsidieerd, stimuleert selectie. Gezien het toenemend aantal oudere ouderen met hoge zorgnood, gecombineerd met een tekort aan geschikt personeel, is dit niet onterecht. Bovendien hebben eenzame en sociaal geïsoleerde ouderen gezelschap nodig, niet ondersteuning door gespecialiseerde zorgverleners.     Vormen van samenwonen of co-housingvoor ouderen zijn schaars.Initiatieven bestaan, maar lang niet overalen zeker niet betaalbaar voor iedereen.    Daarmee is het probleem van ouderen met eenzaamheidsgevoelens echter niet opgelost. Er is een hiaat in het systeem: vormen van samenwonen of co-housing voor ouderen zijn schaars. Initiatieven bestaan, maar lang niet overal en zeker niet betaalbaar voor iedereen. Er is geen structureel aanbod. Her en der ontstaan privé-initiatieven van meer begoede en hoogopgeleide mensen die met vrienden samen een huis of ander soort gebouw kopen en dat inrichten als een vorm van co-housing. Soms ook met infrastructuur zoals een extra appartement, voor een inwonende zorgverlener.   Abbeyfield Vlaanderen organiseert kleinschalige co-housing voor 55-plussers. In Antwerpen en Kontich heeft een sociale huisvestingsmaatschappij Senioren Thuis-projecten en de website Homemates helpt mensen die iemand zoeken om samen een woning te delen. In Alveringem vinden we, op initiatief van Familiehulp, de seniorenhoeve Carpe Diem. Wellicht zijn er nog wel voorbeelden, maar het gaat telkens om lokale initiatieven en 'pilootprojecten'. Bovendien is er geen aangepaste regelgeving, want er zijn ook wel addertjes onder het gras: het co-housing project Villa De Proost in Rillaar moest sluiten omdat de overheid het beschouwde als een woonzorgcentrum zonder erkenning.   Nood aan structureel en betaalbaar aanbod  Er is nood aan een structureel aanbod dat betaalbaar is voor iedereen. Dat levensbestendig is. En dat is minstens gedeeltelijk een taak voor een overheid. De eventuele kost die eraan is verbonden, wordt gecompenseerd door uitstel van verhuis naar een woonzorgcentrum en minder ziekenhuisopnames. Minder eenzaamheid zal immers een positief effect hebben op de gezondheid en de bewoners zullen elkaar ondersteunen en helpen. Bovendien komen hun vaak te grote en onaangepaste woningen vrij voor jonge gezinnen. Voor de thuiszorg betekent het minder tijdsverlies door het afleggen van grote afstanden tussen individuele huizen. En gezinszorg kan minstens gedeeltelijk voor een groep ouderen tegelijk gegeven worden. Waar wachten we dus nog op?   

"De zin en onzin van onze assistentiewoningen"

14-12-2023

Een woonvorm die een tussenvorm biedt voor de eigen woning en het woonzorgcentrum, zo worden assistentiewoningen meestal omschreven. Toch lijkt die woonvorm niet voor iedereen weggelegd. Bovendien botsen de assistentiewoningen op hun beperkingen. Luc Goossens is emeritus professor aan de Universiteit Antwerpen en onafhankelijk deskundige binnen de Vlaamse Ouderenraad. Hij ziet in elke woning idealiter een assistentiewoning. Want iedereen kan in z’n leven nood hebben aan hulp, ondersteuning en zorg.   Een comfortabel huis als opstap voor participatie  Kwaliteitsvol wonen draait om veel meer dan de beschikking over een comfortabel huis. Je woning is namelijk je materiële uitvalsbasis voor leven en samenleven, als individu en als huishouden. Het is de uitvalsbasis voor mogelijkheden in de omgeving en deelname aan de samenleving. Die deelname verschilt uiteraard al naargelang je individuele mogelijkheden en behoeften.   En ook bij ouderen spelen zowel capaciteiten als kwetsbaarheden. Van zodra iemand met pensioen gaat, valt voor de meeste ouderen de werk- en tijdsstructuur van hun professionele leven weg. Tegelijk openen zich meteen ook ‘fenomenale’ vrije tijdsluiken. Wie met dat uitzicht creatief omgaat maakt nooit kennis met het zwarte gat. Anderzijds zullen de meeste ouderen vrede moeten nemen met de eerder bescheiden financiële mogelijkheden van een doorsnee pensioen. Verder zullen zich met de jaren hoe dan ook fysieke beperkingen aandienen die op termijn gepaste zorg vragen en mogelijk tot eenzaamheidsgevoelens kunnen leiden.  Toegegeven, in wezen vertolkt deze situatieschets enkel de contouren van de autochtone oudere mannelijke gewezen werknemer. Ze doet ongetwijfeld afbreuk aan de variëteit van ander dagelijks leven ‘op rust’ binnen de superdiverse samenleving. Met die ‘nuance’ in het achterhoofd, wil ik hier het dossier van de Vlaamse assistentiewoningen kritisch bevragen. Ik introduceer daarmee het hoognodig debat rond wat nodig is inzake (ouderen)zorg én inzake wonen. En vooral het debat over het broodnodige geïntegreerd woonzorgbeleid, vereist om in Vlaanderen voor individueel en collectief welzijn te zorgen.  Assistentiewoningen, een geïsoleerd project op vijf vlakken  Assistentiewoningen kunnen op het moment dat er zich hulpvragen voordoen, antwoorden bieden. Ze staan immers garant voor een toegankelijke woning, de aanwezigheid van een woonassistent, gemeenschappelijke ruimtes en zorg die binnen bereik gebracht wordt wanneer dat nodig is. En toch kan deze vorm van wonen op meerdere vlakken leiden tot isolatie.     Assistentiewoningen kunnen op het momentdat er zich hulpvragen voordoen, antwoorden bieden.  En toch kan deze vorm van wonenop meerdere vlakken leiden tot isolatie.     Ten eerste omdat het stelsel van de assistentiewoningen, weliswaar geïnitieerd door de Vlaamse overheid, zo goed als volledig aan privé-initiatief wordt overgelaten. Er zijn weinig of geen overheidsmiddelen bij betrokken en er is amper overheidsaandacht, van enige programmatie is geen sprake en inspectie is er amper. Dat zorgt voor heel wat blinde vlekken en vragen, onder meer op vlak van het profiel van de investeerders, eigenaars of bewoners, de kwaliteit van het geboden comfort en op vlak van de verstrekte zorg of de normen inzake inplanting. De website van ‘Gezondheid en Welzijn’ laat dat trouwens zelf ook verstaan: “… waar u op moet letten als u een assistentiewoning uitkiest. Zijn er winkels in de buurt? Is er een ontmoetingsruimte? Hoe wordt de factuur samengesteld?” Of samengevat: Investeerders en bewoners, vecht het onder elkaar uit!   Een geïsoleerd project ook, omdat het zo goed als exclusief ouderen betreft, en dan nog wel voornamelijk de financieel sterkeren. Alsof mensen met een beperking, (alleenstaande) ouders met kinderen, nieuwkomers, ex-gevangenen, mensen in armoede, … geen assistentie en geen zorg behoeven.   Geïsoleerd ten derde, omdat de groepen van assistentiewoningen ruimtelijk zo goed als gelijk waar als autonome wooneilandjes kunnen ingeplant worden. Los van enige bestaande infrastructuur of woonkern in die omgeving.   Geïsoleerd ten vierde, omdat zowel binnen ‘wonen’ als binnen ‘zorg’ talloze andere woonzorgcombinaties bestaan waarop zou kunnen of moeten ingespeeld worden. Denk aan sociale verhuurkantoren, begeleid wonen, thuiszorg, mantelzorgwoningen, kangoeroewoningen, zorgzame buurten, woonzorgcentra, …   Geïsoleerd tot slot, omdat ook ouderen, zelfs in een geslaagde groep van assistentiewoningen, gebaat zijn bij samenleven in ‘volledige’ (super)diverse woonkernen. Al was het maar omdat de jongere(n) en actieve ‘locals’ dan ook op die ouderen kunnen rekenen.  Behoorlijk bestuur!  Op zoek naar een beleidsmodel liggen twee essentiële uitgangspunten voor de hand. Vooreerst kunnen we misschien de basisprincipes die onze federale en regionale parlementen zelf vooropstellen, nakomen: recht op wonen (in de Grondwet en in de Vlaamse Wooncodex) en recht op zorg (Sociale Zekerheid) voor iedereen.     We mogen van de Vlaamse regeringtoch wel verwachten dat ze, wat ze zelf schrijft,ook effectief kan toepassen.   Maar ten tweede, en nu nog concreter, mogen we van de Vlaamse regering toch wel verwachten dat ze, wat ze zelf schrijft, ook effectief kan toepassen. Zowel de minister van Wonen als de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, lieten in hun beleidsnota 2019-2024 vermelden dat ‘wonen’ en ‘zorg’ in nauw onderling overleg zouden worden uitgewerkt. Die terechte stellingname vinden we trouwens ook al in de context van het woonzorgdecreet van 15 februari 2019: “Het Woonzorgdecreet moet de regelgeving voor welzijn, wonen en zorg beter op elkaar afstemmen en zo samenwerkingen vergemakkelijken en aanmoedigen. Het decreet wil een kwaliteitsvol zorgcontinuüm scheppen, met aandacht voor sociale inclusie”.  De nonchalante onverschilligheid die de Vlaamse regeringen zich inzake de assistentiewoningen veroorloofden, schuurt niet alleen met de mooie principes, ze is op zich al stuitend. Veel erger nog is het systemisch karakter van die onverschilligheid. Als we ons beperken tot wonen en zorg hoeven we maar naar de collectie wachtlijsten in de woonzorgcentra, de geestelijke gezondheidszorg en de sociale huursector te verwijzen, en - tegen aantoonbaar beter weten in - naar de vlotte privatisering van meerdere initiatieven. Even stuitend is de hooghartige manier waarop, zonder verantwoording, al jarenlang zorgvuldig academisch onderzoek terzijde geschoven wordt. Bijvoorbeeld om ongestoord de betere middenklassen te blijven bedienen en zodoende de kwetsbare burgers in de kou te laten.   Frappant is bovendien dat noch de woonzorgcentra, noch de assistentiewoningen door de decreetgever uitdrukkelijk en verplicht ingebed worden in al bestaande zorginitiatieven zoals de eerstelijnszones, de ‘zorgzame buurten’ of het ‘Geïntegreerd Breed Onthaal’ (GBO).  En dat die op zich inspirerende initiatieven niet tot een geïntegreerd geheel worden uitgewerkt. Een analoge bedenking geldt uiteraard ook voor de sociale woningen, waar de vergrijzing onvermijdelijk meer dagelijkse beleidsingrepen vereist. In 2022 telde de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) 54 373 referentiehuurders of hoofdhuurders ouder dan 65 jaar. Heel concreet blijkt in realiteit dat een derde van de sociale huurders gepensioneerd is. Zeker binnen die vergrijzingscontext zou de aandacht voor de te verwachten bijbehorende zorgaanwas binnen de VMSW nu een aandachtspunt van eerste orde moeten zijn. Het tegendeel lijkt het geval volgens parlementaire waarnemers met aandacht voor de zorg: “Het is onduidelijk waarom sociale huisvestingsmaatschappijen zo weinig inzetten op assistentiewoningen, aangezien het bekend is dat ze een beperkt aanbod hebben voor mensen met een zorgnood.“  Binnen de sociale woonmaatschappijen echter, blijken de reserves niet alleen aangaande de assistentiewoningen, maar betreffende de hele aanpak van wonen en welzijn een probleem. De complexiteit is tot in de hoogste verantwoordelijke beleidskringen behoorlijk goed gekend. Maar van de beloofde (meer) onderlinge afstemming tussen de beleidsdomeinen ‘wonen’ en ‘zorg’ is in de praktijk nog niet veel te merken.  Iedereen moet vroeg of laat op assistentie kunnen rekenen  Die dringende onderlinge afstemming manifesteert zich trouwens voor tal van sociale groepen. Alleenstaande ouders met kinderen, armen, dak- en thuislozen, ex-gedetineerden, mensen met een beperking, nieuwkomers, ouderen, … stuk voor stuk gelden ze (vooral?) als focusgroepen voor ‘welzijn en zorg’ maar lopen ze, gezien de lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen, veel risico om bij ‘wonen’ een blauwtje te lopen. Zelfs de meer klassieke werkende lagere middenklasse worstelt in toenemende mate met kwaliteits- en betaalbaarheidsproblemen op de woningmarkt.    Van de beloofde onderlinge afstemmingtussen de beleidsdomeinen ‘wonen’ en ‘zorg’is in de praktijk nog niet veel te merken.    Hoezeer er dus ook specifieke aandacht nodig is voor de noden van de groeiende groep ouderen in Vlaanderen, de vereiste bijbehorende woon- en zorginspanningen moeten onvermijdelijk in geïntegreerd verband gebeuren. Slecht wonen hypothekeert namelijk onvermijdelijk welke andere beleidsinspanning dan ook. Bovendien kost het de samenleving fortuinen: het maakt ziek, leidt tot werkverlet en zo tot economisch verlies, en zadelt de betrokkenen en de sociale zekerheid op met vermijdbare kosten. Goed en betaalbaar wonen is daarom de meest alomvattende preventie voor individueel en maatschappelijk welzijn.   Assistentie binnen een breed geïntegreerd woon-, zorg- & welzijnsbeleid  Concreet kunnen dus niet alleen ouderen met zorgnoden geconfronteerd worden of gewoon naar gezelschap hunkeren. Ook kerngezonde werkende jonge ouders hebben geregeld, zo niet dagelijks, nood aan kinderopvang, naschools of tijdens de vakanties. Daarvoor zouden ouderen in een diverse buurt, waar school en woonzorgcentrum verbonden zijn, (deels) mee borg kunnen staan. Samen sterk met andere woorden, want complementair.   In principe vertrekken de Vlaamse woonzorgformules, zoals woonzorgcentra en assistentiewoningen, vanuit de prima gedachte dat wonen en zorg als het ware een twee-eenheid vormen. Maar het welzijnsbeleid focust exclusief op ‘probleemcategorieën’ (waaronder ouderen) met fysiek- en mentaal-medische noden. De Vlaamse Codex Wonen hanteert sinds 1997 wel een breder perspectief: “Iedereen heeft recht op menswaardig wonen. Daartoe moet de beschikking over een aangepaste woning, van goede kwaliteit, in een behoorlijke woonomgeving, tegen een betaalbare prijs en met woonzekerheid worden bevorderd.” Breder zowel naar aantal als naar draagwijdte: iedereen behoort volgens deze codex tot het doelpubliek, en wonen wordt in zijn volle betekenis gehanteerd. Inclusief een hoogstaand zorgniveau en een volwaardig voorzieningenniveau.    Woonbeleid zal lokaal zijn of het zal niet zijn.   Zonder afbreuk te doen aan noodzakelijke gespecialiseerde woonzorginitiatieven, moet als uitgangspunt gelden dat iedereen, het hele gamma aan bewonerstypes, recht heeft op wooncondities die beantwoorden aan de dagelijkse noden. Woonbeleid zal daarom in wezen lokaal zijn of het zal niet zijn. Of naar de woorden van de VVSG: “Lokaal woonbeleid is per definitie integraal. 'Wonen' heeft belangrijke raakvlakken met andere beleidsdomeinen, zoals ruimtelijke ordening, armoedebeleid, leefbaarheid, wonen voor ouderen (ouderenbeleid), energie, welzijn, duurzaamheid, ...” Iedereen in Vlaanderen zou met andere woorden - en anders dan vandaag op vele plaatsen het geval is - binnen een redelijke afstand moeten kunnen rekenen op buurtwinkels, veilige fietspaden, een geldautomaat, groenvoorziening, een ‘breed informatie’-loket, lokale ontmoetingsplaatsen, frequent openbaar vervoer, rolstoelvriendelijke voetpaden en gebouwen, een lokaal zorgcentrum, …  Voor iedereen een (virtuele) assistentiewoning  Bovenstaand pleidooi vertrekt van de gedachte dat behoorlijk wonen (in de brede betekenis) voor iedereen een recht is, omdat het de unieke letterlijke en figuurlijke basis is voor persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing. Alle individuele en collectieve dimensies starten er omdat de woning en de woonomgeving alle dimensies van het dagelijks leven samenbrengen en veronderstellen. Van intimiteit, rust en geborgenheid, over de behoefte aan voeding, drank en lichaamsverzorging, aan spel, sport en ontspanning, aan opleiding en vorming, … tot sociale contacten en politieke participatie.    De overheid moet borg staanvoor de vereiste overkoepelende beleidskaders.Alleen zo zal iedereen zijn ‘eigen’ woningkunnen ‘upgraden’toteen volwaardige persoonlijke assistentiewoning.    Omdat wonen en dagelijks leven zich onvermijdelijk vooral lokaal afspelen, moet vooral de gemeente als democratische, collectieve overleg- en bestuursinstantie een sturende rol van betekenis spelen bij de fysiek-ruimtelijke en sociaal-organisatorische vorming van de lokale woonzorggemeenschap. Dat ontslaat de centrale overheden niet van de taak borg te staan voor de vereiste overkoepelende beleidskaders en -budgetten die lokaal welzijn kunnen inspireren en bevorderen. Door in te zetten op de verplichte toegankelijkheid van nieuwe woningen, onder andere. Door het beleid rond (sociaal) wonen en zorg veel meer te integreren. En door in elke buurt te bouwen aan een zorgzame buurt, op maat van iedereen. Alleen zo zal iedereen in Vlaanderen op elk gelegen en ongelegen moment zijn ‘eigen’ woning kunnen (laten) ‘upgraden’ tot een volwaardige persoonlijke assistentiewoning. 

"De maatschappij verandert. Er is meer dan ooit nood aan nieuwe werkvormen"

06-12-2023

We moeten stoppen met spreken over ‘inclusie’, inclusie van personen met een handicap, inclusie van jongeren met een beperking, inclusie van mensen met dementie, en inclusie van ouderen met zorgnoden… Een ‘inclusieve samenleving’ bestaat slechts bij gratie van exclusie of uitsluiting. Als we niemand meer uitsluiten, moeten er geen inspanningen geleverd worden om inclusie te bereiken. Dat zegt Jan Vanwezer, campusdirecteur van woonzorgcentrum De Wingerd.  Zorg moet terug ‘normaal’ worden volgens hem. Er moet weer een juiste mix ontstaan met informele zorg en professionele dienstverlening. Alleen dan zal zorg ook in de toekomst voor iedereen toegankelijk en betaalbaar blijven. Alleen zo zullen zorgjobs terug aantrekkelijk en werkbaar zijn en zullen de vacatures weer ingevuld kunnen worden. Er is een transitie nodig. En De Wingerd wil het voorbeeld geven. Het natuurlijke sociale weefsel verwaarloosd  Een aantal evidenties van vroeger zijn grotendeels verloren gegaan. Kinderen werden voor of na school door buren of grootouders opgevangen. Jongere generaties namen spontaan een stuk zorg voor de ouderen op. Wat de overheid vandaag als ‘mantelzorg’ en ‘zorgzame buurten’ institutionaliseert, was ooit gewoon normaal. Maar wie actief begaan is met zorg en professionele dienstverlening ervaart dat velen in onze maatschappij zich nog steeds willen inzetten voor de ander. Anderzijds stellen wij ook vast dat de organisatie van onze samenleving en de maatstaven van onze economie dat niet altijd zo makkelijk maken.     In haar drang naarspecialisatie, opschaling en professionalisering van de zorghebben politiek en maatschappij het belang vanhet natuurlijke sociale weefsel verwaarloosd.     De wijze waarop we onze hulpverlening in het verleden hebben georganiseerd, draagt daar evenmin toe bij. Jongeren met problemen zonderen we met lotgenoten af in speciale leefgroepen. Kleine kinderen steken we in crèches, want jonge ouders moeten gaan werken. En ouderen halen we uit de maatschappij en brengen we naar het woonzorgcentrum. Indien er sprake is van dementie, dan sturen we hen naar een gesloten afdeling voor aangepaste zorg. In haar drang naar specialisatie, opschaling en professionalisering van de zorg hebben politiek en maatschappij het belang van het natuurlijke sociale weefsel verwaarloosd.   De ‘spontane helper’ wordt afgeremd  Omdat er zoveel specialisten zijn, onderschat de ‘spontane helper’ – die vandaag door een tekort aan zorgpersoneel broodnodig, zelfs onmisbaar is – zijn eigen kunnen en wordt hij afgeremd. Faalangst verlamt en de samenleving verkrampt. Mede daardoor kijken zorgvragers vandaag aan tegen ellenlange wachtlijsten en huizenhoge facturen. Kwaliteitsvolle zorg en zelfs basiszorg waar iedereen recht op heeft, dreigt voor velen ontoegankelijk en onbetaalbaar te worden.  De overheid staat voor dezelfde uitdagingen als de organisaties en de publieke instanties die in Vlaanderen de zorg organiseren. Iedereen zit met dezelfde vragen: hoe kunnen we buurtgericht, intersectoraal en ‘ontschot’ gaan werken? Want in een lange termijnvisie moet zorg door participatie een opdracht worden voor zowel de burger als de sector zelf. Wanneer we als samenleving erkennen dat we bepaalde dingen kwijt zijn geraakt door individualisering, competitie- en prestatiedrang, zelfs door de komst van nieuwe technologie, ligt het alternatief voor het grijpen. Het moet anders. En wij weten hoe!  In woonzorgcentrum De Wingerd geloven we dat ook met dementie kwaliteit van leven mogelijk is. Daarom passen we ons als organisatie aan, aan de noden van het individu. We zijn pioniers en passen al jaren de principes van het kleinschalig genormaliseerd wonen toe. Zorgverstrekkers begeleiden woningen voor acht bewoners met een klein vast team in een huiselijke omgeving. Zij werken in de woonplek van mensen met dementie, niet omgekeerd. De gelijkwaardigheid in dat samenleven en de omgang met professionals, bewoners, familie en vrijwilligers is het belangrijkste uitgangspunt van onze zorg en onze diensten.     In de Wingerd werken zorgverlenersin de woonplek van mensen met dementie,niet omgekeerd.    Met onze participatie in het project van ‘De Boomgaard’ gaan we nog een stap verder. Daar passen we ook de infrastructuur aan, aan de noden en de dynamiek van de buurt. Dit project is uniek in Vlaanderen omdat er voor de eerste keer géén grote of gespecialiseerde campus meer wordt gebouwd. Er wordt daarentegen ingezet op kleine entiteiten voor mensen met een zorgnood of nood aan ondersteuning en begeleiding, om hen in de onmiddellijke buurt van hun sociaal- en familienetwerk te laten blijven. Naar ‘De Boomgaard’ komen wonen of er gebruik maken van dagopvang, zal, ongeacht de zorgvraag, niet meer leiden tot een breuk met hun bestaande habitat.   Transitie naar nieuwe werkvormen  Organisatorisch maakt dat de zaken natuurlijk niet makkelijker, maar we worden graag uitgedaagd. Wij zijn er vast van overtuigd dat de generaties die over enkele jaren toe zullen zijn aan ondersteuning, de voorkeur zullen geven aan een kleinschalige woon- en zorgvorm. Zo kunnen ze volwaardig blijven deelnemen aan de samenleving en wonen in hun eigen buurt. Daartoe zullen de huidige woonzorgcentra moeten ‘deconstrueren’ en transformeren.  In Leuven zitten we al in die transitie. Want door de ontwikkeling van het project ‘De Boomgaard’, zal woonzorgcentrum De Wingerd waarschijnlijk een aantal bewoners minder opnemen. Daardoor komt er misschien een van de zestien woningen vrij in het woonzorgcentrum. Die kan dan op haar beurt benut worden voor ander types van zorgvragers in de buurt. En dat hoeft geen homogene groep te zijn. Er kunnen idealiter mensen met diverse ondersteuningsvragen en zorgtypes terecht. En zorgorganisaties kunnen er elkaar aanvullen en samenwerken.  Daarnaast staan we vanuit woonzorgcentrum De Wingerd mee aan de wieg van ‘LIVEZ cvso’. Dat staat voor Leuvense Initiatieven voor Eerlijke Zorg, dwars doorheen de zorgmuren – voor, in en met de buurt. Deze nieuwe coöperatie werd samen met Oostrem VZW, De Wissel VZW en het Stadsmakerfonds opgericht in unieke samenwerking met Zorg Leuven.  Ondanks alle goede wil, uitmuntende zorgen gedreven medewerkers,botst de eigen hulpverleningregelmatig op haar grenzen.  Alle partners hadden al langer de intentie om het zorglandschap te hervormen. De deelnemende organisaties bruisen van enthousiasme en vertalen dat in een pak energie. Dat is ook nodig. Want ondanks alle goede wil, uitmuntende zorg en gedreven medewerkers, botst de eigen hulpverlening regelmatig op haar grenzen. De wereld en de maatschappij veranderen. De mensen evolueren mee. En er is meer dan ooit nood aan nieuwe werkvormen om te wonen, te leven en te zorgen.  Iedereen ervaart dat er grote onvolkomenheden zitten in ons huidig zorgsysteem, dat er andere en betere oplossingen moeten bestaan. Wij hebben een antwoord gevonden waarin we geloven en we gáán ervoor.  Het landschap veranderen, over sectoren heen  Een concrete stap die we de komende jaren zullen zetten met ‘Den Boomgaard’, is het bouwen van een zorgsite met verschillende wooneenheden voor zo’n 34 mensen. Ouderen, personen met een beperking, kwetsbare jongeren en jonge gezinnen zullen er terecht kunnen. Die mensen zijn afkomstig uit de buurt, worden dus niet ontheemd, en komen er wonen op het moment dat hun eigen huis niet langer bij hun levensfase past.  Zo’n zorgsite zal in de toekomst absoluut een essentieel onderdeel zijn in het ecosysteem van een duurzame en levensbestendige woonwijk. We hopen dat er een versterkte leefgemeenschap ontstaat, met nog meer menselijke samenhang dan het buurtwerk dat er al aanwezig was. Bovendien moet er een soort ‘zorglevering XL’ kunnen ontstaan, waarbij een volledig spectrum betrokken is van zorgvrager, mantelzorger, vrijwilliger, zorgprofessional tot dokter en specialist.    Er zullen nog steeds gespecialiseerdeen grotere zorgcentra nodig zijn.Toch willen we het vizier definitiefvan richting veranderenen welzijn voor iedereen toegankelijk maken.    We proberen dus over sectoren heen het zorglandschap te veranderen. En dat zorgt er hopelijk voor dat ik over 10 jaar kan zeggen: “Vroeger stuurden we mensen naar het woonzorgcentrum, vandaag gelukkig niet meer.” Er zullen nog steeds gespecialiseerde en grotere zorgcentra nodig zijn waar mensen de aangepaste zorg ontvangen die ze wensen. Toch willen we het vizier definitief van richting veranderen en welzijn voor iedereen toegankelijk maken.   

"Het woonzorgcentrum, een schakel in een divers geheel "

27-11-2023

Een demografische tijdbom. Een tsunami van vergrijzing. Het zijn metaforen die steeds vaker gebruikt worden als het over de ouderenzorg gaat. Volgens Margot Cloet, gedelegeerd bestuurder van Zorgnet-Icuro, is dat terecht. Volgens haar kijken burgers en politici weg van wat er ons te wachten staat. En dat is de foute houding. Want de uitdagingen zijn immens. We hebben dringend nood aan een plan. En we moeten bekijken welke rol woonzorgcentra daar nog in spelen.    De zorgvraag zal toenemen Mondiaal is er een enorme vergrijzingsgolf van de bevolking op komst. Japan werd het eerste “oudste grote land” ter wereld. In 2013 was daar al een kwart van de bevolking ouder dan 65 jaar. West-Europa en Noord-Amerika volgen in ijltempo. Daarna is het de beurt aan Oost-Europa en China. De demografische veranderingen zullen economisch en sociaal een gigantische impact hebben. Buitengewoon veel gepensioneerden zullen afhankelijk zijn van een alsmaar slinkend aantal mensen op arbeidsleeftijd om hen te onderhouden en te ondersteunen.     De demografische veranderingenzullen economisch en sociaaleen gigantische impact hebben.   Waar staat Vlaanderen in dit verhaal? Ook in onze regio tikt de demografische tijdbom genadeloos voort. Tussen nu en 2040 komen er een klein half miljoen 65-plussers bij. Vooral de enorme toename van het aantal mensen ouder dan 85 jaar zal ons voor grote uitdagingen stellen. Vanaf die leeftijd stijgt immers het risico op de nood aan zorg en ondersteuning heel sterk. Nu zijn er zo’n 220.000 85-plussers. Over ruim 15 jaar zijn dat er bijna 350.000, nog eens tien jaar later telt Vlaanderen op een totale bevolking van ruim 7,5 miljoen ongeveer een half miljoen 85-plussers.   Veel mensen op hogere leeftijd die erbij komen, betekent dat de vraag naar zorg en ondersteuning exponentieel zal stijgen. Veruit de meeste zorg hebben we nodig tijdens onze laatste levensjaren. Zelfs wanneer iemand gezond blijft tot op hoge leeftijd, volgt er vaak nog een heel moeilijke laatste levensfase met complexe zorg. De zorgvraag zal toenemen in alle segmenten en echelons van de zorg: informele zorg, eerste lijn, thuiszorg, ziekenhuiszorg, residentiële ouderenzorg…    De zorgvraag zal toenemenin alle segmenten en echelons van de zorg.   Tegelijk blijft in dezelfde periode het aantal mensen “op arbeidsleeftijd” dalen. De schaarste in alle segmenten van de arbeidsmarkt zal nog verder groeien. Een steeds kleinere groep zal met andere woorden het zorgsysteem moeten schragen én betalen. De ratio van het aantal potentieel arbeidsactieven (leeftijd 18-66) ten opzichte van de 65-plussers bedraagt in 2023 in Vlaanderen 3,31. In 2040 zakt dat naar 2,46 en in 2070 naar 2,16.  Sense of urgency  Net als bij het razendsnel veranderende klimaat – het laatste gezaghebbend klimaatrapport spreekt over een opwarming van 3 graden! - weten we wat er op ons afkomt. Daarover zijn we het eens. Maar we kijken vooral weg, en gaan niet over tot die ingrijpende veranderingen die nodig zijn om het tij te doen keren. Net zo met die vergrijzing. Demografen rekenden het ons al decennia geleden voor. We weten wat ons staat te gebeuren. En toch lijkt elke sense of urgency te ontbreken om er debat over te voeren of er proactief mee bezig te zijn. Laat staan dat Vlaanderen of België een plan klaar hebben voor de komende jaren.     We kijken vooral weg,en gaan niet over tot dieingrijpende veranderingen die nodig zijnom het tij te doen keren   Trekken we ons zorgsysteem in zijn huidige vorm door, dan stevenen we onvermijdelijk af op een zorginfarct. Als we ons als samenleving hierop niet voorbereiden, dan moeten we er ernstig rekening mee houden dat onze zorg op een bepaald moment zal imploderen, met wachtlijsten en een diepe kloof tussen de groepen die zich nog dure privézorg kunnen inkopen en zij die nergens nog terechtkunnen. Ook economisch kan de prijs hoog oplopen. De druk op de mantelzorg kan ertoe leiden dat meer en meer mensen geheel of gedeeltelijk uit de arbeidsmarkt moeten stappen om zorg op te nemen voor hun naasten.   De voorbereiding op een samenleving met veel meer ouderen is omvattend en bij uitstek lange-termijnbeleid, over legislaturen heen. We moeten in ieder geval collectief afscheid nemen van het idee dat er hiervoor eenvoudige “oplossingen” bestaan of een plan dat de overheid en de zorgsector zullen opstellen en vervolgens uitvoeren. Alles begint bij bewustzijn. Het idee dat we ons moeten voorbereiden, moet overal doordringen: bij beleid, zorgverstrekkers én de bevolking.     Wie goed kijkt, ziet dat de eerste tekenenop het terrein al zichtbaar zijn.Vooral dat de meest kwetsbarengeen toegang meer hebben tot zorg.   Dat we naar andere tijden gaan, is geen fijne boodschap om te brengen en om te horen. En dus hebben politici en burgers de neiging om de signalen te negeren zolang de problemen zich nog niet in alle hevigheid stellen. Maar een gezonde dosis realiteitszin is op zijn plaats. We weten dat er veel minder professionele zorg beschikbaar zal zijn, dat we die zorg anders zullen moeten organiseren, dat we de zorgverleners op een andere manier zullen moeten inzetten. Het zijn veel veranderingsprocessen die we gelijktijdig en nu op gang moeten trekken. Wie goed kijkt, ziet dat de eerste tekenen op het terrein al zichtbaar zijn. Vooral dat de meest kwetsbaren geen toegang meer hebben tot zorg, of dat zorg voor hen onbetaalbaar wordt. Het gaat om het vrijwaren van de fundamenten van onze welvaartsstaat en onderlinge solidariteit.     Draaien aan de ene knopheeft impact op het geheel.Dus moet je breder durven kijkendan één beleidsdomein en één bevoegdheidsniveau.     De voorbereiding op een ouder wordende samenleving is een verantwoordelijkheid van een hele reeks beleidsdomeinen, niet alleen zorg en welzijn. Het gaat evengoed over de inrichting van onze leefomgeving, de bouw van onze huizen en appartementen, onze arbeidsorganisatie, onderwijs, mobiliteit, de sociale zekerheid. Elke beleidsmaatregel in de ene sector heeft een invloed op andere (deel)sectoren. Ook binnen de zorg werken de deelsectoren als communicerende vaten. Zijn er wachtlijsten voor de woonzorgcentra? Dan stijgen de opnames op geriatrie in de ziekenhuizen. Stuur je mensen na een ziekenhuisopname vroeger naar huis? Dan krijgt de thuisverpleging meer aanmeldingen. Draaien aan de ene knop heeft met andere woorden impact op het geheel. Dus moet je breder durven kijken dan één beleidsdomein en één bevoegdheidsniveau.   Houdbare ouderenzorg  Hoe zien we de zorg voor ouderen evolueren? Waarop moeten we inzetten? Wat willen de ouderen zelf en zijn die wensen en verwachtingen realistisch? Wie aan ouderenzorg denkt, ziet meteen ook het woonzorgcentrum op zijn radar verschijnen. De overgrote meerderheid van de gepensioneerden drukt daarbij ook meteen zijn afkeer uit. “Een plaats waar ik nooit van mijn leven naartoe wil”, klinkt het dan ferm. Kunnen we ze ook afschaffen zoals sommigen suggereren? Hoe zien we hun rol in de toekomst? Over hun plaats en opdracht in het geheel moeten we grondig reflecteren en nadenken op de lange termijn.  Woonzorgcentra maakten in de afgelopen decennia een hele evolutie door. Door de systematische uitbouw van thuiszorg doen de meeste ouderen de overstap naar een woonzorgcentrum pas op het moment dat hun zorgnoden zo omvattend of complex zijn geworden dat thuis- of mantelzorg die niet meer kan opvangen. Meer dan vier op de vijf huidige bewoners heeft een zwaar zorgprofiel, de gemiddelde leeftijd is eind de tachtig. De tijd dat iemand in een woonzorgcentrum verblijft wordt ook almaar korter, gemiddeld ergens tussen anderhalf en twee jaar. Er zijn in Vlaanderen nu 83.000 woongelegenheden in ongeveer 800 woonzorgcentra. Per honderd 65-plussers wonen er gemiddeld 6,1 personen in een woonzorgcentrum.    Ondanks de soms scherpe kritiek,denk ik dat er voor ouderen altijd een vormvan residentiële langdurige zorg zal nodig zijn.Toch voor die allerlaatste levensfase.   Ondanks de soms scherpe kritiek, denk ik dat er voor ouderen altijd een vorm van residentiële langdurige zorg zal nodig zijn. Toch voor die allerlaatste levensfase. We zullen evolueren naar veel meer diversiteit in het zorgaanbod en vormen van wonen. De woonzorgcentra vormen één schakel in een hele zorgketen. En die keten vormt ook een weerspiegeling van de diversiteit in de groep ouderen. Er heerst nog altijd een soort eenheidsdenken over dé 65-plusser. Maar tussen de fitte nog joggende 69-jarige en de 95-jarige met Alzheimer is er een wereld van verschil. Daartussen zijn alle mogelijke vormen van zelfredzaamheid en hulpbehoevendheid denkbaar. Het wordt tijd dat we de zorg ook op die diversiteit maximaal afstemmen. Laat ons niet vergeten dat niet weinigen vandaag het voorrecht hebben om een pensioenperiode te hebben van meer dan dertig jaar.  Zorgnet-Icuro pleit voor een relatief bescheiden toename van het aantal plaatsen in woonzorgcentra de komende jaren, zo’n 7000 extra in totaal. Tegelijk moeten we ervoor zorgen dat de ouderen met de hoogste zorgnoden niet in de kou blijven staan en dat aan hen voorrang gegeven wordt bij opname. Met de snelle toename van het totaal aantal ouderen zal die prioriteit betekenen dat bewoners met een “lichter” zorgprofiel – momenteel ongeveer 15% – in de toekomst niet meer in een woonzorgcentrum zullen kunnen verblijven. Voor hen moeten er andere, op hun maat aangepaste, woonzorgvormen worden ontwikkeld of uitgebreid Voor het verlenen van complexe zorg is een aangepaste personeelsnorm nodig. Ik trap een open deur in ik stel dat de huidige personeelsnorm van 0,6 VTE per bewoner nu absoluut onvoldoende is. Zorgnet-Icuro vraagt al jaren dat die wordt opgetrokken naar 0,9 VTE per bewoner. Wanneer de woonzorgcentra evolueren naar verpleeghuizen zoals we die in Nederland kennen, is die 0,9 echt noodzakelijk om kwaliteitsvolle zorg te kunnen geven. Er zal dan ook meer medische en paramedische ondersteuning nodig zijn, én een structurele samenwerking met de thuiszorg, geestelijke gezondheidszorg en de ziekenhuizen. En, dit alles binnen een herkenbare huiselijke leefomgeving. Voor de invulling van de profielen van de extra medewerkers zullen we nood hebben aan flexibilisering, zodat mensen ook via een korte opleiding op de werkvloer in een woonzorgcentrum aan de slag kunnen. We moeten afstappen van het puur diplomagericht denken en redeneren vanuit het principe “bekwaam is bevoegd”.    7000 extra woongelegenheden in woonzorgcentra is één ding,de uitbreiding van allerlei andere vormenvan ondersteuning en andere woonvormen een ander.   7000 extra woongelegenheden in woonzorgcentra is één ding, de uitbreiding van allerlei andere vormen van ondersteuning en andere woonvormen een ander. Dat tweede luik is evenzeer noodzakelijk en belangrijk om mensen langer thuis te kunnen laten wonen en vooral te voorkomen dat men té vroegtijdig beroep zou (moeten) doen op een residentiële woonzorgvorm. We denken dan aan dagverzorging, oriënterend kortverblijf, herstelverblijf, assistentiewoningen, lokale dienstencentra, gezinszorg, thuisverpleging, ondersteuning van mantelzorg en vrijwilligers, buurtzorg. We moeten de komende jaren hierin fors investeren, naast thuisondersteunende technologie, preventie en een regelluwe omgeving waardoor ook alternatieve vormen van huisvesting kansen krijgen. In woonzorgcentra is veel expertise aanwezig. Het woonzorgcentrum kan zo uitgroeien tot een centrum in een lokale gemeenschap waarmee ook veel andere vormen van zorg en ondersteuning verbonden zijn.  Versterken van gemeenschappen en buurten  Zorgnet-Icuro blijft resoluut kiezen voor een samenleving waar iedereen telt: jong en oud, gezond en ziek of gehandicapt, arm en rijk. Een samenleving waar in de eerste plaats relaties, gezinnen, familie, straten, buurten en verenigingsleven centraal staan. Die vormen de basis van het samenleven en het zorgen voor elkaar. Een robuuste sociale solidariteit moet het systeem schragen zodat iedereen toegang heeft tot betaalbare, kwaliteitsvolle zorg en ondersteuning.    We moeten het maatschappelijken politiek debatover de toekomst van de (ouderen)zorgactief voeren en aanjagen.   De cijfers en prognoses tonen hoe zwaar de systeemdruk in de komende decennia zal worden. We denken dat het onze maatschappelijke plicht is om niet langer ongestoord voort te doen zoals we bezig zijn. We moeten het maatschappelijk en politiek debat over de toekomst van de (ouderen)zorg actief voeren en aanjagen. Zorgnet-Icuro wil daar actief aan participeren. We nodigen alle stakeholders, overheid, zorgaanbieders, gebruikers uit alle sectoren uit om verder vooruit te kijken dan de waan van de dag, dan volgende week of volgend jaar, en te kijken hoe we wonen, welzijn en de zorg voor ouderen zullen vormgeven.   

“Voor een ondernemer is de klant altijd koning”  

21-11-2023

Van zodra de woorden ‘profit’ of ‘commercieel’ opduiken wanneer we het over de zorg hebben, huiveren veel mensen. Het debat over de financiën in de zorg is brandend actueel. Dat merken we ook in de reacties die we krijgen via de campagne Bepaal je eigen verhaal. Maar kunnen we alle woonzorgcentra met een commerciële insteek over dezelfde kam scheren? Moeten we echt naar een systeem waarin profit-woonzorgcentra gebannen worden? Johan Staes is gedelegeerd bestuurder en CEO van VLOZO, de koepel van de onafhankelijke private woonzorgcentra. Hij wil het debat nuanceren én ons doen inzien dat private woonzorgcentra een zegen kunnen zijn voor de nieuwe generaties ouderen.    Rond het thema ‘commercialisering’ een opinie schrijven klonk voor mij als een te voorspelbare opdracht. De aanname is immers vlug gemaakt: “het commercialiseren van de zorg is om allerlei, voornamelijk ideologische, redenen – betaalbaarheid, personeelsinzet en zorgkwaliteit – slecht”. De reactie is evenzeer gekend: “CEO van de koepelorganisatie van ‘commerciële rusthuizen’ verdedigt en weerlegt met technische ‘facts and figures’ feitelijk onjuiste aantijgingen”.  Maar in deze eindeloze heen en weer blijf ik echter op mijn honger zitten. Het geeft me nooit de kans om toe te lichten hoe de private profit ouderenzorg net een zegen kan zijn voor een nieuwe generatie ouderen.  Ouderenzorg voor babyboomers   Ja u leest het goed, een zegen. De clichés over de ‘commerciële veel te dure rusthuizen’ zijn intussen al jaren op regelmatige basis te horen en schetsen geen fraai plaatje. Ik verzet me hiertegen.     Ondernemers in de zorg zijn broodnodigom het bestaande aanbod aankwaliteitsvolle residentiële ouderenzorg op het noodzakelijke peil te houden.   Niet enkel omdat deze stroom van verhalen meestal ongenuanceerd, uit de context getrokken of vaak zelfs feitelijk onjuist is. Maar vooral omdat ondernemers in de zorg vandaag broodnodig zijn om het bestaande aanbod aan kwaliteitsvolle residentiële ouderenzorg in Vlaanderen op het noodzakelijke peil te houden. En bovenal omdat, naar de toekomst toe, zorgondernemers het best geplaatst zijn om ouderenzorg op maat van de babyboomers te organiseren en aan te bieden. Waarom? Omdat voor een ondernemer de klant uiteindelijk altijd koning is.   Zelf keuzes maken  De eerste babyboomers, geboren tussen pakweg 1945 en 1955, kloppen vandaag aan bij thuiszorgorganisaties en ouderenzorgvoorzieningen, vaak met vrij complexe en dringende zorgvragen. Maar ze staan daar niet als karikaturale hulpeloze bejaarden die zo snel mogelijk en met zachte dwang naar de zorgvorm geloodst worden die door een overheid of een voorziening als meest geschikt beschouwd wordt.   Deze babyboomers staan daar als zelfbewuste en vaak kapitaalkrachtige klanten die weten wat ze willen. En ze willen vooral dat de zorg zich maximaal aanpast aan hun wensen en niet andersom. Zij willen met andere woorden keuzes en de vrijheid om die keuzes zoveel mogelijk zelf te maken.    Babyboomers willen vooraldat de zorg zich maximaal aanpast aan hun wensenen niet andersom.   Dit is meteen ook de reden waarom zoveel 65-plussers vandaag ronduit afkerig staan tegenover elke vorm van residentiële ouderenzorg, ongeacht of die voor hen noodzakelijk is of niet. Deze afkeer is niet zozeer gebaseerd op hun bezorgdheden rond betaalbaarheid of zorgkwaliteit, alhoewel deze ongetwijfeld een rol spelen. Nee, babyboomers willen vooral niet hun vrijheid en individualiteit – zo kenmerkend voor die generatie – opgeven.   En net daar associëren zij de Vlaamse ouderenzorg van vandaag mee. 65-plussers vrezen een anoniem nummer te worden in een kamertje in een grijze, ziekenhuis aanvoelende gang waar ze bovendien onderworpen worden aan een regime waar ze geen vat op hebben. En daar bovenop is er ook nog dat afschrikwekkende verhaal dat assistentiewoningen en woonzorgcentra vreselijk duur zijn en er bezorgdheden bestaan over de zorgkwaliteit.   Niet voorzieningen, maar ouderen centraal  Zorgondernemers begrijpen dat die angst heerst. Daarom dringen ze er bij de bevoegde Vlaamse overheid uitdrukkelijk op aan dat er een ouderenbeleid komt waarbij niet de voorzieningen, maar de ouderen maximaal centraal staan.   Als samenleving moeten we absoluut zo snel mogelijk peilen naar wat de verwachtingen van 65-plussers zijn als het gaat over ouderenzorg, hoe ze die willen georganiseerd zien en hoe ze willen wonen als het thuis niet meer kan. Het initiatief van de Vlaamse regering om een grote bewonersbevraging in de woonzorgcentra te organiseren, waarbij de bewoners hun mening kunnen geven over hoe zij de kwaliteit van leven, wonen en zorg ervaren, is alvast een belangrijke stap in de goede richting. Maar de bevraging moet breder en vooral jonger gaan.     De echte vraag ishoe een toekomstige Vlaamse ouderenzorg, op maat van de ouderen, eruit moet zien.    De vraag is niet hoe we de ouderenzorg van vandaag moeten aanpassen om wat meer tegemoet te komen aan de gebruikers ervan. De echte vraag is hoe een toekomstige Vlaamse ouderenzorg, op maat van de ouderen, eruit moet zien. En we moeten er absoluut rekening mee houden dat het antwoord op deze vraag meer dan waarschijnlijk niet zal overeenstemmen met de Vlaamse thuiszorg en ouderenzorg die we vandaag kennen. Te veel rigide hokjes, opgelegde regeltjes van bovenaf, onvoldoende ruimte voor ‘out of the box-denken’ en een gebrek aan innovatie. Allen kenmerken voor onze ouderenzorg vandaag en praktijken die zorgondernemers doen knarsetanden.   Spelregels  Uiteraard moet de Vlaamse overheid het speelveld afbakenen en de spelregels van ouderenzorg bepalen. Met daarbij het fysieke en psychologische welzijn van de ouderen altijd als eerste bezorgdheid in het achterhoofd. Niemand stelt dit in vraag. Ook niet de ondernemer die vandaag actief is in de Vlaamse ouderenzorg. Maar dit mag niet ontaarden – zoals vandaag al te vaak het geval is – in micromanagement en het blind handhaven van regeltjes. Als je succesvol los zand in je hand wil houden kan je beter je hand openhouden. Met een geklemde vuist zal het zand gewoon tussen je vingers door glippen.   Het is nog maar de vraag of deze spreekwoordelijke geklemde vuist, waarin de Vlaamse ouderenzorg vandaag gevat zit, in het voordeel is van de ouderen die er vandaag en morgen gebruik van maken en zullen maken. Eén heel concreet voorbeeld vandaag is volgende bepaling uit de bestaande Vlaamse regelgeving, die er sinds 2019 in staat: “een sanitaire ruimte, aangepast aan de behoeften van een rolstoelgebruiker beschikt over een vrije draaicirkel met diameter van 1,50 meter in de sanitaire ruimte.”   Als ik dit lees stel ik me de vraag of het fysieke en psychologisch welzijn van bewoners van woonzorgcentra echt valt of staat met badkamers die beschikken over een vrije draaicirkel van minstens 1,50 meter. Ik betwist natuurlijk niet dat er voldoende beweegruimte moet zijn in badkamers, laat daar geen twijfel over bestaan. Bewoners van woonzorgcentra zijn vaak wat slechter ter been en maken vaak gebruik van een rollator of rolstoel. Voldoende open ruimte in de badkamer met handgrepen aan de muur is dan zeer zeker geen overbodige luxe.  Maar vandaag is het woonzorgcentrum formeel in overtreding als deze draaicirkel zelfs minimaal te klein is. Ongeacht of de bewoners er nu klachten over hebben of niet. Ongeacht de realiteit dat een woonzorgcentrum meestal gehuisvest is in een gebouw dat er al stond voor de nieuwe regelgeving van 2019. En tenslotte, ongeacht het feit dat een draaicirkel niet zomaar met een vingerknip te vergroten is. De Vlaamse Zorginspectie zal dit in het inspectieverslag aanduiden als een tekort en er zal de uitdrukkelijke verwachting zijn dat dit tekort door het woonzorgcentrum zo snel mogelijk wordt opgelost.   Vertrouwen   Waarom een probleem maken van iets dat in de realiteit – in de beleving van de bewoners – wellicht niet ervaren wordt als een wezenlijk probleem? Waarom peilt de aanwezige zorginspecteur niet eerst bij de bewoners of zij al dan niet een probleem hebben met die draaicirkel of met andere tekorten die door zorginspecteurs worden vastgesteld? Vanwaar dit gebrek aan vertrouwen in de inschattingen van de bewoners? Het zijn tenslotte zij die elke dag meermaals gebruik maken van het woonzorgcentrum in het algemeen, en van hun badkamers in het bijzonder. Zij zijn dus beter dan een zorginspecteur geplaatst om te beoordelen of een draaicirkel breed genoeg is of niet.  Meer nog dan middelen of specifieke initiatieven, vragen de Vlaamse zorgondernemers vandaag vooral vertrouwen en een gelijk speelveld aan de Vlaamse overheid.     Vlaamse zorgondernemers vragenvooral vertrouwen en een gelijk speelveldaan de Vlaamse overheid.     De samenleving in het algemeen en de Vlaamse overheid in het bijzonder mag erop vertrouwen dat zorgondernemers - binnen hun mogelijkheden - steeds het nodige zullen doen om ouderen in een kwetsbare positie, laat ons hen even klanten noemen, tevreden te stellen. Zonder tevreden klanten houden zorgondernemers op termijn immers geen klanten over. En zonder klanten zal ruim een derde van het zorgaanbod onherroepelijk verdwijnen wegens structureel onrendabel. Ja, de klant is koning.  Ook kan de Vlaamse overheid erop vertrouwen dat zorgondernemers hun zorgvoorziening duurzaam willen maken. Lees: minstens zonder structurele verliezen die de lange termijn toekomst van de voorziening verzekert. En dus ook het zorgaanbod verzekert voor toekomstige ouderen met zorgbehoeften. Dit in tegenstelling tot publieke ouderenzorgvoorzieningen die vooral goedkoper lijken te zijn in de uitbating en de kostprijs voor de klant, maar die in de realiteit zeer vaak ieder jaar een bezoekje brengen aan de gemeenteraad en het schepencollege om hun aanzienlijke financiële tekorten te laten aanzuiveren met belastinggeld.   En tenslotte kan de Vlaamse overheid er ook op vertrouwen dat zorgondernemers uitkijken naar innovatieve en budgetvriendelijke oplossingen voor vragen en problemen van een nieuwe generatie ouderen. Bijvoorbeeld hoe nieuwe of hybride zorgvormen kunnen bijdragen. Of hoe digitalisering een antwoord kan zijn op een tekort aan zorgpersoneel. Niet om extra winst te maken, niet om hun voorzieningen uit te baten met minder personeel. Wel om keuzevrijheid te bieden. Iets waar deze generatie zoveel belang aan hecht. Tevreden klanten creëren winst, winstbejag creëert ontevreden klanten.  Vlaams Masterplan Ouderenzorg  De zorgondernemers in de Vlaamse ouderenzorg vertrouwen er op hun beurt op dat de Vlaamse overheid op relatief korte termijn zorgt voor een nieuw ‘level playing field’-kader. Een inhoudelijk en financieel kader dat de Vlaamse samenleving in staat stelt om te gaan met de monumentale uitdaging van de vergrijzing. Noem het een Vlaams Masterplan Ouderenzorg. Want het vijf is voor twaalf voor de toekomst van de Vlaamse ouderenzorg. Het is tijd voor politieke daadkracht.    Het vijf is voor twaalf voorde toekomst van de Vlaamse ouderenzorg.Het is tijd voor politieke daadkracht.    Een belangrijk onderdeel van dit Vlaams Masterplan Ouderenzorg vormt het vertrouwen tussen ouderenzorgvoorziening en de zorginspectie. Woonzorgcentra en groepen van assistentiewoningen willen erop kunnen vertrouwen dat, als zij een zorginspecteur over de vloer krijgen, zij een partner, een bondgenoot, een adviseur ontvangen in hun onophoudelijk en vooral gezamenlijk streven naar het aanbieden van zo hoog mogelijke zorgkwaliteit. Geen bureaucraat met een checklist. Niet iemand voor wie de naleving van de regels belangrijker zijn dan het creëren van welzijn voor de zorgbehoevenden.   De private profit en onafhankelijke non-profit zorgondernemers die ik vertegenwoordig, de leden van Vlozo, zijn vandaag meer dan ‘willing and able’ om hun deel van de werklast op te nemen. Met passie en met vastberadenheid willen zij meebouwen aan, en op lange termijn deel uitmaken van, de Vlaamse ouderenzorg van de toekomst.   Zij hebben de kennis en de bouwstenen om de babyboomers de zorg aan te bieden die ze willen. Als de Vlaamse overheid er nu in slaagt om de positieve energie langs beide kanten te kanaliseren en te ondersteunen, dan is er geen enkele reden waarom ‘commerciële zorg’ geen zegen kan zijn voor een nieuwe generatie ouderen. 

“Zorgverleners zijn zelf de beste ambassadeurs” 

15-11-2023

Hoe lossen we het personeelstekort in de zorg op? Vlaams Zorgambassadeur Candice De Windt houdt in dit opiniestuk een sterk pleidooi voor het ambassadeurschap van zorgprofessionals. De Windt stelt dat medewerkers in zorg en welzijn gaandeweg de fierheid voor hun beroep verloren hebben. Die moeten ze terugvinden. Daarbij hebben ze hulp nodig van de ganse sector en het beleid. Want een crisis kan je niet alleen overwinnen.    Hoe maken en houden we meer mensen warm voor de zorg? Dat is uiteraard de vraag van één miljoen. Een vraag die me zo vaak wordt gesteld. Een vraag die, wanneer ik heel eerlijk ben, mezelf ook vele nachten wakker houdt. Want ja, we moeten niet flauw doen. We weten dat de vergrijzing en de verzilvering de zorgvragen zullen doen toenemen. En ons voor veel uitdagingen zullen stellen.    Talent voor de zorg   We hebben elk talent nodig voor onze zorg- en welzijnssector. En ik spreek hier bewust over talent. Want we hebben niet eender wie nodig die de handen uit de mouwen kan steken in de zorg. We zijn het de zorgvragers verplicht om de juiste mensen te motiveren. Zij die met goesting en passie kiezen - en blijven kiezen - voor de mooiste sector van de wereld.     We zijn het de zorgvragers verplichtom de juiste mensen te motiveren.Zij die met goesting en passiekiezen voor de mooiste sector van de wereld.     Maar daar knelt het schoentje. Want het is net die sector die de voorbije jaren sterk te maken kreeg met imagoverlies. Waar vroeger de keuze voor een opleiding in zorg en welzijn als positief werd aanzien, zien en horen we nu letterlijk dat die keuze heel vaak negatief gepercipieerd wordt. ‘Wie wil dit nog doen’? ‘Je wordt ondergewaardeerd en onderbetaald’ en ‘Er is geen work-lifebalance’ zijn maar een paar uitspraken die we als reactie krijgen.   En toch weten we dat elk van ons ooit, op een of andere manier, in contact zal komen met zorg of zelf zorg nodig zal hebben.    Om het met de mooie woorden van auteur Lynn Berger te stellen: “Zorg is waar de menselijke beschaving mee begon. En wat de maatschappij iedere dag draaiende houdt. Zorg is wat mensen mensen maakt. Maar als zorg zo belangrijk is, waarom zorgen we er dan zo slecht voor?”   Markering en ambassadeurschap   Hoe raken we uit het straatje van negativisme waar we nu inzitten? Hoe herstel je het aanzien van een sector? Dat is de essentie. Hoe maak je een sector aantrekkelijk te midden van vele sectoren die ook kampen met enorme personeelsschaarste?      Waar geen campagne tegenop kan,is de trotsheid die we zelf dragenals medewerker in zorg en welzijn.   Een ingrediënt is branding en marketing, maar branding is veel meer dan een logo, een term of een symbool. Het is het durven identificeren, durven bepalen en benoemen waar je voor wilt staan, het is je sector ‘een smoel’ geven opdat de essentie op een eerlijke, authentieke maar toch wervende manier gevat wordt. En daarin zijn we geslaagd met de Vlaamse campagne careēr. Die is meer dan belangrijk. Maar waar geen campagne tegenop kan, is de trotsheid die we zelf dragen als medewerker in zorg en welzijn. Want ergens zijn we zelf als zorgverlener de fierheid, de trots op onze opleiding en onze job verloren. En om die terug te vinden, moeten we zelf, ieder van ons, onze rol opnemen. We moeten durven uitspreken dat we vol goesting, met passie en drive werken in zorg en welzijn. We moeten durven uitspreken: ‘Ja, ik ben verpleegkundige!’, ‘Ja, ik ben zorgkundige!’, ‘Ja ik ben ergotherapeute’ en ‘Ja, ik werk in de kinderopvang!’ … ‘En daar ben ik trots op!’   We zijn zelf de beste ambassadeurs.   Alleen zo kunnen we de maatschappij overtuigen van de schoonheid van onze sector. We moeten vooral de positieve aspecten in de kijker zetten. Zoals de diversiteit van het landschap: van prenatale tot palliatieve zorg, van wijkgezondheidscentrum tot revalidatieziekenhuis, van kinderdagverblijf tot centrum voor mensen met een beperking. En we moeten spreken over de flexibiliteit, de carrièremogelijkheden en het levenslang leren. En over het teamwerk en de mogelijkheid om elke dag weer het verschil te maken.   Zij-instroom   Op die manier kunnen we de instroom in de sector verhogen. En ook de zij-instroom. Want ja, ik geloof er echt in dat het belangrijk is om hierin als overheid te investeren, te blijven investeren en - indien we deze crisis echt serieus nemen - nog veel meer in te investeren. Maar op dit moment gebeurt dat te weinig. De plaatsen zijn nu te beperkt. Veel mensen willen hierin stappen, maar elk jaar worden vele goede kandidaten geweigerd en teleurgesteld.   Daarnaast moet die focus op zij-instromers gepaard gaan met het aantrekken van jongeren. Want de groep 18-jarigen is steeds moeilijker te bereiken en te verleiden om zich in te schrijven in een bacheloropleiding in zorg of welzijn. Opnieuw ligt de reden daar voor mij bij ons imago en het feit dat we ons verstoppen. Veel jonge mensen komen pas voor het eerst in contact met zorg wanneer een familielid ziek is, of wanneer een grootouder naar een woonzorgcentrum verhuist. Daarom zien zij zorg niet als een essentieel onderdeel van ons leven.    Vanaf de kleuterklas   De focus ligt te vaak op een klassiek en verouder beeld van onze sector. Maar eigenlijk zijn we net bij uitstek een sector die focust op innovatie en technologie. Net dat moeten we in de markt zetten. Ook in het onderwijs. Want hier liggen enorm veel kansen om nieuwe, jonge en andere profielen aan te trekken. Laat ons dus nadenken over hoe we al van in de kleuterklas zorg op een fijne manier kunnen introduceren. En hoe we drempels wegnemen om de stap naar de sector te zetten.       Laat ons nadenkenover hoe we al van in de kleuterklaszorg op een fijne manier kunnen introduceren.   En als mensen dan effectief de stap zetten om een opleiding in zorg of welzijn te volgen, dan moeten we ook de stages goed aanpakken. We verliezen erg vaak de kans om hier een fijne ervaring van te maken. Van studenten die aan hun lot worden overgelaten, of leerlingen die honende reacties krijgen uit hun omgeving. Bovendien wordt stagebegeleiding of coaching vaak als een last gezien. Maar als je die student vandaag goed begeleidt, is hij de fijne collega van morgen. Het is een kans om je organisatie, je afdeling of je dienst op een aantrekkelijke wijze in de kijker te zetten én om talent te spotten! Investeer dus in onthaal, in begeleiding en in coaching.    Talent behouden   Eens die student dan effectief de fantastische keuze maakt om voluit voor een job in zorg of welzijn te gaan, duikt er een nieuwe uitdaging op. Want minstens even belangrijk als aantrekken van talent, is het behouden van talent. Want hoe kunnen we een antwoord geven op de vele verzuchtingen die leven?   Wat de verloning betreft, daar worden stappen gezet. Het ambitieuze VIA6 akkoord heeft hier alvast veel aandacht voor. Dat is meer dan een goede zaak. Maar er is meer nodig om mensen bij te houden. Inzetten op fijne werkomgevingen bijvoorbeeld, waar vertrouwen en respect heersen, en waar collega’s zich betrokken en competent voelen. Organisaties die hierop inzetten, zullen in deze schaarse tijden bovendrijven. En dan is er nog de evolutie in leiderschapsstijlen. De tijd van het autoritaire hoofd ligt achter ons. De nieuwe generatie (zorg)professionals vraagt ook om ander leiderschap. Marc Noppe, CEO UZ Brussel, benoemt het mooi als “de roep om ‘agreeable leadership’”, leiders die vertrouwen en samenwerking boven concurrentie verkiezen.     Minstens even belangrijkals aantrekken van talent,is het behouden van talent.   Het zal ook vereisen dat we een aantal zaken die historisch gegroeid zijn, durven herbekijken. Is de manier waarop we onze mensen inzetten in bepaalde (zorg)taken nog de juiste manier? We zien dat bijvoorbeeld de nachtronde in een woonzorgcentrum vaak nog heel klassiek wordt georganiseerd: een verpleegkundige gaat elke kamer binnen - ook wanneer dit niet nodig is. Dit is echt een ‘verspilling’ van inzet van personeel. Waarom bekijken we niet welke rol zorgtechnologie hier een rol kan spelen? Zo weet de verpleegkundige zeer gericht welke bewoner hulp nodig heeft. Andere bewoners hebben op die manier een rustige nachtrust en ondervinden geen impact op hun welbevinden. Er bewegen hier zaken, maar dit zou nog vaker kunnen ingezet worden.  En ook op zorginhoudelijk vlak zijn zaken mogelijk. Gedrags- en gemoedsveranderingen bij ouderen, niet alleen bij personen met dementie, zijn vaak een signaal dat de persoon zich onbegrepen voelt. Het heeft vaak ook een sterke impact op medebewoners of medepatiënten en zorgverleners. Het investeren als organisatie in behoeftengebaseerde zorg’ kan zorgverleners ondersteunen om niet steeds voor de ‘snelle oplossing’ – zoals de persoon uit een ruimte verwijderen of medicatie toe te dienen – te kiezen, maar wel voor een gepaste oplossing waar iedereen zich goed bij voelt. Maar dat vraagt natuurlijk wel dat we de zorgvrager beter leren kennen, zijn gedrag beter begrijpen en dat we kennis hebben van andere mogelijkheden.  Maar nog meer dan dat draait het vooral om samenwerken. Samenwerking is essentieel om deze crisis aan te gaan. En we moeten loskomen van schotten tussen zorgberoepen en capaciteiten en talenten van onze zorgvragers en hun omgeving erkennen. Pas wanneer we elke speler betrekken, kunnen we samen stappen vooruitzetten.  Never waste a good crisis   Het is dus essentieel om in te zetten op branding, instroom- en zij-instroom, kwaliteitsvolle stages én een fijne werkomgeving. Naast fier zijn op onze job, zijn dat cruciale ingrediënten voor de crisis waar we voor staan - en die op dit moment eigenlijk beleven. Die zal ons dwingen om te durven loslaten. En om zaken te durven herdenken. Want ik geloof in ‘never waste a good crisis’.      Het zal wellicht de grootste crisis zijndie we ooit zullen aangaan.De grootste,maar ook de meest kansrijke.   Maar dat kan niemand alleen. Het zal inzet vereisen van elk van ons. Iedereen: het beleid, organisaties, thuisverpleegkundigen, zorgkundigen, sociaal werkers, … Want het zal wellicht de grootste crisis zijn die we ooit zullen aangaan. De grootste, maar ook de meest kansrijke. Hij zal ons de mogelijkheid bieden om samen zorg en zorgen op de kaart te zetten. En om de mooiste sector van de wereld alle aandacht te geven die deze verdient.

“De toestand is ernstig, maar niet hopeloos”

08-11-2023

Ouderen hebben zelf een mening over hoe hun zorg eruit moet zien. Dat laten ze ons duidelijk weten via de campagne Bepaal je eigen verhaal. En toch wordt er nog te weinig rekening gehouden met die wensen.   Jan De Lepeleire was 34 jaar lang huisarts en coördinerend en raadgevend arts van een woonzorgcentrum, met een bijzondere belangstelling voor dementie. Hij is Emeritus Hoogleraar Huisartsgeneeskunde aan de KU Leuven en bovendien voorzitter bij Eerstelijnszone Zuid-Oost Rand Antwerpen. In deze opinie brengt hij die verschillende ervaringen samen. Hij geeft zijn visie op hoe onze maatschappij met zorg omgaat en hoe we door een shift in ons denken kunnen evolueren naar een persoonsgerichte manier van zorg.   ‘Plan 75’ als nieuwe norm?  In de recente film ‘Plan 75’ schetst de Japanse cineaste Chie Hayakawa het fictief verhaal over hoe de Japanse overheid een instelling opzet waar mensen vanaf hun 75 jaar op eenvoudige vraag euthanasie kunnen krijgen. Daarmee stelt de cineaste in vraag hoe de maatschappij “zo onmenselijk kan zijn om de dood aan te bieden in plaats van een manier om kwetsbare mensen te helpen zich minder geïsoleerd of bang te voelen. Om hen een reden te geven om te leven in plaats van een manier om te sterven."   De volksmond zegt ‘men is maar zo oud als men zich voelt’. Daar zit een grond van waarheid in Iedereen kent krasse tachtigers en negentigers. Tegelijk is het een feit dat gaandeweg heel wat ouderen geconfronteerd worden met wat artsen een ‘geriatrisch profiel’ noemen. Dat is “een 75-plusser met een complex ziektebeeld, als gevolg van stoornissen op lichamelijk, geestelijk en/of sociaal gebied, waardoor zelfstandig functioneren en de kwaliteit van het leven negatief beïnvloed wordt”. Dat kluwen van klachten en symptomen is complex, en vraagt veelal om een uitgebreide zorg en ondersteuning.     Hoe zorgen wedat kwetsbare ouderenvoluit kunnen en willen leven?   Maar hoe gaan we als samenleving om met die toenemende zorg- en ondersteuningsnoden? Hoe zorgen we dat kwetsbare ouderen voluit kunnen en willen leven? En hoe voorkomen we dat scenario’s als ‘Plan 75’ niet enkel een film, maar ook een nieuwe norm worden?   Zet in op preventie   ‘Iedereen wil oud worden, maar niemand wil het zijn’. Tenzij dat een beetje in goede omstandigheden kan natuurlijk. Preventie kan daarbij een belangrijke rol spelen. Hoewel er in ons gezondheidszorgsysteem redelijk weinig aandacht en dus ook weinig financiering is voor dit aspect, wordt steeds duidelijker dat de effecten vaak groter zijn dan verondersteld.     Neem nu dementie, waarover een nogal fatalistische sfeer hangt. Professor Livingston publiceerde, bijgestaan door een grote groep internationale onderzoekers, daarover een belangrijk overzicht in The Lancet. Haar vaststelling: voor 60% van de vormen van dementie zijn de risicofactoren onbekend en niet beïnvloedbaar. Maar dat impliceert dat we op 40% van de factoren wel impact kunnen hebben. Uit onderzoek weten we dat opleidingsniveau een grote invloed heeft. Maar had u verwacht dat het terugdringen van gehoorverlies potentieel een vermindering geeft van 8% op het ontwikkelen van dementie? Of dat sociale isolatie een impact heeft van 4%? En dat ook roken een impact van 5% heeft op dementie?     Willen we vermijden dat ons zorgsysteemhet over enkele jaren begeeftdoor de toename aan mensen met zorgnoden,dan zal de overheid hier véél doortastenderop moeten inzetten.   Uit dit werk trek ik twee grote conclusies. Ten eerste: het verhaal van gezond leven en preventie op vlak van roken, gewicht, beweging, bloeddruk en alcohol blijft als een paal boven water staan. Maar ten tweede: ook belangrijke maatschappelijke elementen spelen een rol. Artsen hebben weinig impact op de organisatie van de openbare ruimte, de inplanting van woningen, het vermijden van sociale isolatie of de kwaliteit van de lucht.   Willen we vermijden dat ons zorgsysteem het over enkele jaren begeeft door de toename aan mensen met zorgnoden, dan zal de overheid hier véél doortastender op moeten inzetten. Gezonde, toegankelijke en uitnodigende leefomgevingen zijn essentieel voor de toekomst en houdbaarheid van de zorg.    Maak werk van competentiegerichte zorg   De toestand is ernstig, maar niet hopeloos. De vergrijzing stelt ons voor uitdagingen, maar eigenlijk wordt al jaren gewerkt om de toestand een positieve kant uit te sturen. Zonder volledig te willen zijn, schets ik enkele belangrijke evoluties.    De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) die verantwoordelijk is voor grote classificatiesystemen, heeft in 1999 al radicaal het roer omgegooid. In plaats van een klassering van ziekten en handicaps te publiceren, heeft ze gezegd: we moeten kijken naar functioneren en naar wat mensen wél zouden moeten kunnen. De WGO publiceerde de ‘International Classification of Functioning (ICF)’ die de basis werd voor het denken over functioneren en revalidatie. Daarom stelde toenmalig en huidig minister van Volksgezondheid Frank Van den Broucke dat we moesten stoppen met denken vanuit het invaliditeitsdenken, dat in onze regelgeving zeer sterk aanwezig was en nog steeds is: er werd gekeken naar wat men niet (meer) kan.    De minister stelde, in lijn met het voorstel van de WGO, het competentiedenken voorop: wat kunnen we nog wel of wat zouden we nog willen kunnen en wat is daarvoor nodig. Waar vroeger de insteek was: ‘U kan niet meer stappen, we vergoeden u een rolstoel’ werd het: ‘U kan niet meer stappen, wat hebt u nodig om een rolstoel te vermijden, welke revalidatie moeten we daarvoor inzetten en wat moeten we doen om dat resultaat te behouden?’    Die redenering heeft als consequentie dat men ook anders is gaan kijken naar zorgbehoefte, die ontstaat wanneer iemand voor essentiële levenstaken de hulp van derden nodig heeft. De financiering in de ouderenzorg is tot nu toe gebaseerd op de ‘Katzschaal’. Een schaal ontwikkeld door Prof. Katz, bedoeld om het revalidatieproces van dames met een heupfractuur op te volgen. Een grootschalig onderzoek besloot dat het InterRAI instrument, ontwikkeld door de opvolgers van Katz, geschikt was om de zorgbehoefte te meten vanuit het revalidatie- en competentiedenken. Ondertussen werd een Belgische versie ontwikkeld, de BelRAI. De eerste ervaringen en getuigenissen van diensten die al instapten, zijn positief en enthousiasmerend.       Persoonsgerichte zorg vraagt een shift in ons denken    Bij het uitwerken van een zorgplan is de inbreng van de persoon zelf en zijn/haar mantelzorgers onmisbaar. Hier komt het begrip ‘persoonsgerichte zorg’ om de hoek kijken. Dit begrip betekent “dat de waarden en voorkeuren van individuen worden uitgevraagd en, eenmaal uitgedrukt, de leidraad vormen voor alle aspecten van hun gezondheidszorg, waarbij hun realistische gezondheids- en levensdoelen worden ondersteund. Persoonsgerichte zorg wordt bereikt door een dynamische relatie tussen individuen, anderen die belangrijk voor hen zijn en alle relevante zorgverleners. Deze samenwerking voedt de besluitvorming in de mate die het individu wenst.”      Bij het uitwerken van een zorgplanis de inbreng van de persoon zelfen zijn/haar mantelzorgersonmisbaar.   Een recent boek diept dit uit op een zeer concrete manier: ‘Persoonsgerichte zorg. 15 hefbomen voor zorgverbeteraars’. Volgens de auteurs gaat het “om het je bekommeren om de persoon en je afstemmen op hoe hij zijn gezondheid ziet en beleeft”. Verder stellen ze dat dit zelfs niet erg moeilijk is, dat het een basisattitude veronderstelt die aandacht heeft voor de kleine, soms ogenschijnlijk onbelangrijke elementen. Maar die er voor de patiënt wel enorm kunnen toedoen.    We gaan in de goede richting. We zien al een heleboel nieuwe initiatieven ontstaan die gemeen hebben dat de kern van hun verhaal nu net die persoonsgerichte zorg is. Maar het zal een belangrijke shift in het denken van overheden, burgers én zorgaanbieders vragen om dit op grote schaal te bereiken. De Nederlands verpleegkundige, Teun Toebes, die ook een opleiding ethiek volgde, ging zelf in een woonzorgcentrum wonen. Vanuit die ervaring schreef hij een sterk boek dat boeiend kan zijn voor velen. Zijn werk bevat een reeks van reflecties die kunnen bijdragen aan de (re)framing van dementie waar onze samenleving zo’n dringende nood aan heeft.     Persoonsgericht zorg zou overalhet vertrekpunt moeten zijn.De eerstelijnszones kunnen daarbijeen meerwaarde betekenen.     En dan is er nog het ‘Tubbe-model’ dat door de Koning Boudewijnstichting naar voren geschoven wordt. Dat is een relatiegericht zorgverleningsmodel dat in het Tubberödshus in de Zweedse gemeente Tjörn werd uitgerold, geïnspireerd op praktijken in het Lottehemmet zorgcentrum in Denemarken. Het uitgangspunt van het Tubbemodel luidt: ‘Zolang een mens leeft, wil hij leven!’ Uniek aan het Tubbe-model is het ‘relationele aspect’ waardoor een warme en menselijke omgeving voor bewoners en medewerkers ontstaat. Een aangename, huiselijke plek waar ouderen hun leven nog ten volle kunnen leven én een aantrekkelijke, motiverende job voor medewerkers! Ook het Tubbe-model kan zorgen voor meer persoonsgerichte zorg.    Persoonsgericht zorg zou overal het vertrekpunt moeten zijn. Voor de grote groep ouderen in de thuiszorg kunnen de eerstelijnszones (ELZ) daarbij een meerwaarde betekenen. In Vlaanderen zijn er 60 ELZ. Ze werden door toenmalig minister Vandeurzen opgericht om échte geïntegreerde zorg mogelijk te maken. Ze moeten ervoor zorgen dat in elke regio zowel de actoren binnen zorg en welzijn als de lokale besturen naar een echte integratie kunnen groeien. De vaccinatiecentra die ze hebben georganiseerd, was een eerste majeur (sociaal) experiment. Na twee jaar werking heeft de Vlaamse overheid beslist dat er grondig moet gesleuteld worden aan de werking en de financiering van de ELZ. Dit (tijdrovend) proces is nu aan de gang. Hopelijk leidt dat tot voldoende beleidsruimte en middelen om de grote ambities waar te maken.   Conclusie: maak werk van een breed en doortastend preventie en competentiegericht beleid en ontwikkel (verder) de hefbomen voor echte persoonsgerichte zorg, zeker in de thuiszorg.     

"Op mensenmaat! Samen! Nu!"

31-10-2023

Heel wat ouderen geven via Bepaal je eigen verhaal aan dat ze zorg verwachten die persoonsgericht is. Nu hebben ze vaak het gevoel een nummer te zijn en niet aangesproken te worden op hun kwaliteiten en persoonlijkheid. Een project dat daaraan wil tegemoetkomen, specifiek voor personen met dementie, is Huis Perrekes. Medeoprichter en directeur Carla Molenberghs stelt in deze opinie enkele fundamentele vragen over de toekomst van wonen en zorg. Ze ziet antwoorden in een inclusief woon- en zorgmodel op maat van mensen.  Mensen dreigen te vervreemden   “Op mensenmaat! Samen! Nu!” is de quote die we vandaag met luide stem vertolken – al sprekend, al zingend, al schrijvend hier en nu. Onder dit motto schuilen we bij elkaar. Het stormt! Mensen staan onder hoge druk en kijken elke dag angstiger om zich heen. Er was corona, er is oorlog in Oekraïne, er is de klimaatcrisis, de technologie evolueert razendsnel, we communiceren via sociale media, we leven in een geglobaliseerde wereld. Mensen dreigen te vervreemden van de leefwereld, van elkaar en van zichzelf.     We moeten stilstaanbij wonen en zorgenvoor kwetsbare personen.   Deze opeenstapeling van crises confronteert ons met menselijke kwetsbaarheid en roept om mededogen en solidariteit. Het gaat over u en mij. In deze snel evoluerende samenleving nodigt deze confrontatie ons uit om het bewustzijn van onze mondiale ‘condition humaine’ te scherpen. En die nodigt in het bijzonder uit om stil te staan bij wonen en zorgen voor kwetsbare personen vandaag en morgen.   De hoogste tijd dat de zorg zich heruitvindt  Het is de hoogste tijd dat de zorg zich heruitvindt, dat creatieve, visionaire en daadkrachtige leiders opstaan. En dat we weten welke wezenlijke waarden in het spel zijn. In Huis Perrekes zoeken we graag mee.     Het is de hoogste tijd dat de zorg zich heruitvindt,dat creatieve, visionaire endaadkrachtige leiders opstaan.   Centraal staan voor ons enkele vragen die we gebruiken om het concept van Huis Perrekes verder te ontwikkelen en te verduurzamen: ‘Hoe kunnen mensen van verschillende generaties en met meerdere beperkingen een plaats krijgen in onze samenleving?’, ‘Welke vorm van wonen en zorgen kan maximaal bijdragen aan goed leven en samenleven in een duurzame wereld?’, ‘Welke economische factoren en condities zijn van belang en gepast als het gaat om goede, betaalbare zorg?’, ‘Welke regelgeving en welke wijze van toetsing is geschikt voor een zich evoluerende vorm van wonen en zorgen?’, ‘Welke toegepaste technologie is gepast voor een persoonsgerichte benadering?’ en ‘Welke bijdrage kan éénieder vanuit eigen positie en situatie leveren aan een vorm van goed wonen en zorgen?’.  In onze zoektocht naar antwoorden op deze vragen, houden we vast aan enkele uitgangspunten die we willen bewaren.    Van cure naar care  Dementie confronteert ons met een lijden, een onomkeerbare ziekte die maakt dat care voorop staat. ‘Care’ is meer dan zorg. Het is nabij-zijn en het scheppen van nabijheid in al zijn facetten. Het is het bieden van houvast aan mensen met dementie die alle houvast stap voor stap verliezen.  We vertrekken vanuit de presentie van de persoon met dementie in zijn of haar beleving, in zijn of haar omgeving. Voorop staan de resterende mogelijkheden en niet enkel datgene wat niet meer is of beschadigd is. Er wordt steeds gezocht naar de balans tussen autonomie en geborgenheid.   Een rijk en intens innerlijk leven   Personen met dementie beschikken over een rijk en intens innerlijk leven, en dit tot op het einde. Elke ervaring bevat een individuele waarheid en deze waarheid onthult een individuele beleving. Elk levensverhaal is uniek en nodigt de ander uit om te luisteren en stil te staan bij eigen verlangens, angsten en sterfelijkheid.   In Huis Perrekes sluit de begeleiding, de zorg en de architectuur aan bij die voorgaande levensfasen, om zo een geheel te vormen met dat wat ‘thuis’ en ‘waardigheid’ beteken(d)en.  Keuze voor het woord ‘huis’   Het ‘huis’ nodigt uit om te participeren, zo lang en zo goed mogelijk. Het samenspel van materiële en immateriële omgeving beïnvloedt rechtstreeks het welzijn van éénieder, in het bijzonder van personen met dementie. En het evolueert mee met de veranderende behoeften, noden en verlangens. Anders gezegd, het huis en degenen die in het huis leven, wonen en werken, zijn bepalend voor de kwaliteit ervan.  Alle actoren  Goede zorg en begeleiding op maat van mensen met dementie is onlosmakelijk verbonden met goede zorg en begeleiding van alle actoren rondom hem of haar.  Heldere communicatie   Heldere communicatie tussen alle betrokkenen en vanuit alle perspectieven, is een noodzakelijke voorwaarde om op mensenmaat te wonen en te werken.  Integratie  De integratie in de samenleving maakt dat elke betrokkene gezien, erkend, versterkt en zich aangesproken voelt.  Taalgebruik  Ons taalgebruik vereist zorgvuldigheid omdat het onze manier van kijken naar kwetsbaarheid en ons handelen rechtstreeks beïnvloedt.  Cradle to cradle  Via een diversiteit aan woonvormen en dienstverlening, wil Huis Perrekes de relaties tussen jong en oud aanwakkeren. En dit in een continu proces vanuit het toebehoren tot een gemeenschap. Dit schept solidariteit en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Bovendien bevordert het de levenskwaliteit en het gevoel van veiligheid en vermindert het individueel beroep op externe hulp- en dienstverlening.   Recent ontvingen we de toelating om in Huis Perrekes kinderopvang te ontwikkelen en te realiseren voor 17 kinderen. Hiermee maken we de droom waar om generaties met elkaar te verbinden en om een toekomstige generatie te sensibiliseren voor een betekenisvol leven van wieg tot wieg.    Meer informatie  Surf naar www.perrekes.be   Huis Perrekes bestaat sinds 1986 en wordt tot op vandaag beschouwd als een innovatief project. Het staat voor wonen, zorg en begeleiding op maat van personen met dementie vanaf diagnose tot levenseinde. Het huis is geïntegreerd in de samenleving en verbonden met diverse sectoren, zoals natuur, cultuur, onderwijs en wetenschap. 

"Levenseinde in eigen regie"

24-10-2023

© Brigitte 't SijenWaarom kunnen ouderen zelf niet beslissen wanneer het leven niet meer hoeft? Heel wat ouderen laten ons weten daarvan wakker te liggen. Wim Distelmans is professor palliatieve zorg aan de Vrije Universiteit Brussel en een van de meest gehoorde stemmen als het over een waardig levenseinde gaat. Al meer dan 40 jaar strijdt hij hiervoor. Ook is hij de bezieler van LEIF, het LevensEinde InformatieForum. Distelmans pleit in dit opiniestuk voor meer inspraak van ouderen, als het gaat over levenseinde – en eigenlijk in de ganse levensloop.   Ondermaatse aandacht voor bewoners van woonzorgcentra  Bij de uitbraak van COVID-19 was dit niet anders. Het merendeel van de coronadoden viel vanaf het begin van de eerste golf in de woonzorgcentra (WZC) ondanks dat de bewoners achter slot en grendel werden opgesloten. Over hoe en of deze opvallende oversterfte kon worden vermeden werden nadien talloze opiniestukken, journalistieke analyses en radio- en televisieprogramma’s geweid. Eén van meest verpletterende conclusies was de decennialange schromelijke verwaarlozing - ook op het gebied van palliatieve zorg - van de residentiële ouderensector.  Door de coronacrisis werd dit zo spectaculair uitvergroot dat het de publieke aandacht trok.  Vlaanderen en Brussel tellen ruim 800 woonzorgcentra en meer dan 80 000 bewoners. Mee door de jarenlange ondermaatse financiering en de onpersoonlijke schaalgroottes van deze instellingen, met als drijfveer budgetbeheersing en efficiëntie - net zoals bij gevangenissen - kregen woonzorgcentra een kwalijke reputatie. Ondanks de formidabele inzet van talloze zorgverleners, personeel en vrijwilligers die dag in dag uit het beste van zichzelf blijven geven. Feit is dat de mensen er vandaag slechts schoorvoetend naartoe willen gaan als het echt niet meer anders kan.   Als de maatschappij en de geneeskundeer eerst alles aan doen om ons langer te laten leven,heeft het geen zin ons op het eindein een vergeetput te dumpen.    Rekening houdend met de actuele behoeften en inzichten, zouden mensen zo lang mogelijk in hun eigen huis oud moeten kunnen worden. Al dan niet ondersteund door thuiszorg en lokale dienstencentra. En wanneer thuisblijven problematisch wordt, zorgt men voor opvang op mensenmaat in kleinschalige buurtgebonden tehuizen. En in direct contact met de lokale gemeenschap, waardoor er een continuüm blijft bestaan. Weg van bureaucratische overregulering die gebaseerd is op angst voor misbruik. En weg van wantrouwen tegenover de zorgverleners.   Als de maatschappij en de geneeskunde er eerst alles aan doen om ons langer te laten leven, heeft het geen zin ons op het einde in een vergeetput te dumpen. Leven is meer dan biologisch overleven.  Weerstand tegen palliatieve zorg  Ook het inschakelen van palliatieve zorg roept nog erg veel weerstand op. Zo begeleiden de palliatieve thuiszorgequipes hun patiënten amper twee weken voor ze overlijden. Twee weken! En dan behoort België tot de wereldtop van de palliatieve zorg. Een veelgehoorde reden is dat ‘palliatief’ voor velen gelijk is aan ‘terminaal’ en dus aan ‘doodgaan’. Aangezien niemand dit wil, wordt de palliatieve zorg te laat of zelfs nooit ingeroepen. Met schrijnende toestanden en vermijdbare ellende als gevolg.   ‘Palliatief’ staat voor velen gelijk aan ‘terminaal’en dus aan ‘doodgaan’.Aangezien niemand dit wil, wordt de palliatieve zorgte laat of zelfs nooit ingeroepen.Met schrijnende toestanden als gevolg.    Terwijl palliatieve zorg juist gericht is op leven, op het verbeteren van de levenskwaliteit. Weliswaar bij mensen die ongeneeslijk zijn, wat zeker niet belet dat ze nog jaren kunnen leven. Palliatief staat immers tegenover curatief of geneesbaar. Anders gezegd: alles wat niet (meer) curatief is, is palliatief. Iemand met diabetes of artrose is dus een palliatieve patiënt. Maar dankzij insuline of pijnstillers en kinesitherapie kunnen ze vaak even lang en kwaliteitsvol leven als zogenaamd ‘gezonde’ mensen. Want wat betekent ‘gezond’? Volgens de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie van 1948 betekent gezondheid de afwezigheid van ziekte. Vandaag is dan bijna niemand gezond, aangezien dankzij de hoge levensverwachting velen aan één of meerdere chronische - ongeneeslijke - aandoeningen lijden en dus palliatief zijn.                                                             Het is waarschijnlijk realistischer om het ‘positief gezondheidsconcept’ van Machtelt Huber te hanteren. Zij gaat ervan uit dat gezondheid niet zozeer de afwezigheid van ziekte is, maar wel de manier waarop iemand ‘op een gezonde manier’ met zijn chronische, palliatieve aandoeningen of beperkingen omgaat en zo een goede levenskwaliteit behoudt. Tijdige inzet van palliatieve zorg, met aandacht voor pijn- en symptoomcontrole, psychosociale begeleiding en zeker niet te vergeten het existentieel lijden, leidt dan onvermijdelijk tot een beter (resterend) leven.     We moeten af van de reflexom iedereen per se te willen ‘genezen’.Laat mensen trouwens zelf beslissenin hoeverre levensverlenging al dan nietprimeert op levenskwaliteit.   We moeten af van de reflex om iedereen per se te willen ‘genezen’. Laat mensen trouwens zelf beslissen in hoeverre levensverlenging al dan niet primeert op levenskwaliteit. Uit studies blijkt dat de meeste mensen met een chronische, ernstige levensbedreigende aandoening levenskwaliteit boven levenskwantiteit verkiezen. Of zoals wijlen filosoof Leo Apostel het mooi heeft verwoord: "Een typisch menselijk leven is wat ons onderscheidt van plantaardig of dierlijk leven: kunnen kiezen, beslissen, handelen en over een sociale en individuele identiteit beschikken."  Weerstand tegen euthanasie  Waarom roept euthanasie ook nog zoveel weerstand op? ‘Euthanatos’ betekent in het oude Grieks ‘goede, milde dood’, maar in de loop van de geschiedenis kreeg deze term veelvuldig een andere betekenis. Het meest verschrikkelijke misbruik van dit begrip gebeurde in nazi-Duitsland waar de nazi’s spraken van het ‘euthanasieprogramm’ – Aktion T4 – waardoor ze iedereen, die volgens hen minderwaardig was, systematisch begonnen te vermoorden zoals mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten. Later ontspoorde het volledig naar het uitroeien van homo’s, zigeuners, joden, ... Tegenstanders van de mogelijkheid tot euthanasie beroepen zich op deze gruwelpraktijken. Bovendien baseren veel christelijk geïnspireerde tenoren zich op de vermaarde zinsnede uit de Bijbel in het Hebreeuws ‘lo tirtsah’ die eerder ongelukkig vertaald werd in ‘gij zult niet doden’ maar waarvan de betekenis juister verwoord wordt door ‘gij zult niet vermoorden’ (Exodus 20,13 uit de 10 geboden). Het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek nam in 1997 het initiatief om het begrip ‘euthanasie’ strikt te definiëren en daarmee schoonschip te maken met andere invullingen. Sindsdien verstaat men in België onder euthanasie ‘de opzettelijke levensbeëindiging (door een arts) van een patiënt die daar zélf uitdrukkelijk om gevraagd heeft en aan een aantal voorwaarden voldoet’.    Het is uitermate belangrijkom de wettelijke definitie van euthanasiete respecteren. Het kan alleen maar het strijdenden gepolariseerd debat ten goede komen.    Euthanasie kan dus enkel op vraag (van de patiënt). Tegenstanders ‘vergeten’ dit nog wel eens tijdens de soms nog verhitte discussies. Het is dus uitermate belangrijk om de wettelijke definitie van euthanasie te respecteren. Het kan alleen maar het strijdend en gepolariseerd debat ten goede komen.   De euthanasiewet is in de letterlijke zin van het woord een zeer liberale wet. Niemand wordt verplicht euthanasie te vragen en geen enkele arts wordt gedwongen tot uitvoering. Met andere woorden, niemand moet van deze wet gebruik maken. Men kan zich dus afvragen waarom hierover - zeker ook in de landen zonder euthanasiewet - nog zo emotioneel en zelfs agressief wordt gedebatteerd. Heeft het te maken met een hopelijk goed bedoeld paternalisme maar zonder respect voor de autonomie en zelfbeschikking van mensen?     Het emancipatorisch effectvan de euthanasiewet is in Belgiëniet te onderschatten.Belgen beseffen steeds meerdat zijzélf het initiatief kunnen nemen.    Het emancipatorisch effect van de euthanasiewet is in België niet te onderschatten. Dankzij deze wet beseffen Belgen steeds meer dat zijzélf het initiatief kunnen nemen bij hun levenseinde. Artsen horen patiënten vaker zeggen dat ze ‘met hun papieren in orde willen zijn’. Mensen willen niet meer op een mensonterende manier sterven. Ze willen objectief geïnformeerd worden en vooraf hun wensen optekenen. Dit is trouwens het baanbrekend neveneffect van de huidige euthanasiewet: Belgen willen dit recht op initiatief bij het levenseinde – ook los van euthanasie – niet meer afstaan. Integendeel, ze willen die zien uitbreiden over héél hun ziekteproces. Euthanasie is dus maar het topje van de ijsberg van de nood (aan het behoud) van autonomie en zelfbeschikking. Vanaf het verdict van een ernstige diagnose wil men in alles betrokken worden. Zeker de huidige internetgeneratie aanvaardt niet langer dat medische beslissingen – al dan niet bij het levenseinde – eenzijdig door artsen boven hun hoofd genomen worden. Ze willen zo goed mogelijk geïnformeerd worden en op zijn minst inspraak hebben in de keuzes en beslissingen. En indien men verkiest om niet te kiezen en de beslissingen overlaat aan de arts en de naasten, dan is dit ook een keuze. Maar men mag dit nooit - vooral niet bij minder mondige mensen – vanzelfsprekend vinden.   Palliatieve sedatie als ‘alternatief’ voor euthanasie  Palliatieve sedatie - iemand opzettelijk in coma brengen om onbehandelbaar ondraaglijk lijden tijdens de stervensfase te vermijden – is een waardevol redmiddel in het arsenaal van de palliatieve zorg. Uit onderzoek blijkt dat deze beslissing in 90% van de gevallen eenzijdig door de arts wordt genomen, waarbij in 70% de patiënt niet werd of niet (meer) kon worden geïnformeerd.   Palliatieve sedatie wordt ook als alternatief van euthanasie opgedrongen. De patiënt vraagt om euthanasie, de arts vindt het ‘nog te vroeg’ en beweert tegelijk dat hij ook nog de toelating moet vragen aan de ethische commissie van de zorginstelling – wat voor alle duidelijkheid niet moet. Gelijktijdig stelt de arts in de plaats palliatieve sedatie voor. In tegenstelling tot euthanasie is hierbij geen toestemming van de patiënt noodzakelijk, moet dit niet worden geregistreerd zoals euthanasie (bij de Federale Commissie Euthanasie) en moet er ook geen andere arts om advies worden gevraagd. Hoewel palliatieve sedatie niet de bedoeling heeft het leven te beëindigen, gebeurt dit in feite wel. Vooreerst wordt er tijdens de palliatieve sedatie geen eten en drinken meer toegediend. Vervolgens vraagt de familie dikwijls na dagen van waken ‘hoelang het nog zal duren’. Het eindresultaat is immers gekend. Het gebeurt dat de dosis van de producten die het kunstmatig coma in standhouden dan stelselmatig wordt verhoogd waardoor de patiënt vroegtijdig overlijdt. Maar men blijft dit ‘palliatieve sedatie’ noemen hoewel men in feite is overgegaan tot een levensbeëindiging (zonder verzoek). Heel dit omfloerst gebeuren geeft nogal eens diepe frustraties bij de familie en het verzorgend team. Uit studies blijkt overigens dat palliatieve sedatie in België minstens vier keer meer voorkomt dan euthanasie. Vanuit deze wetenschap is het niet meer dan evident deze handeling net zoals euthanasie ook verplicht te registreren met als doel de aard en de praktijk ervan te kunnen optimaliseren.  Geef de regie terug aan de burger  Geen enkele beslissing die door een ongeneeslijke zieke, na goed geïnformeerd te zijn, wordt genomen is beter dan een andere. Soms is het stoppen van zinloze behandelingen meer aangewezen en in andere omstandigheden lijkt palliatieve sedatie de minst slechte oplossing. In België mogen we ons bovendien gelukkig prijzen voor de wettelijke optie van euthanasie. België is immers het enige land ter wereld met zowel een Wet patiëntenrechten, een Wet palliatieve zorg en een euthanasiewet.   Maar zelfs in ons land blijft het nog moeilijk om de regie over te laten aan de patiënt zelf.    Bij palliatieve zorg wordt de regie meestal gedeeld. Er is geen echte regisseur. Dit kan vaak ook niet anders, zeker niet in de terminale fase. Hier is de patiënt vaak te zwak of niet meer voldoende wilsbekwaam om zelf te beslissen. Misschien dat palliatieve zorg - inclusief palliatieve sedatie - daarom nog dikwijls als ‘passief ondergaan’ wordt gepercipieerd waarover men geen zeggenschap, laat staan regie heeft? Reden te meer om de palliatieve zorg tijdig in te schakelen of op zijn minst om advies te vragen, ver vóór de terminale fase.  Bij euthanasie is men per definitie zelf tot het einde ‘actief’ als regisseur. Wellicht ook de reden waarom dit de bevolking meer aanspreekt. Ondanks dat men altijd nog over een arts moet beschikken om het te willen uitvoeren.   In het nieuwe verzorgingsconcept moeten we ervoor zorgen dat ‘iemand zo lang mogelijk voor zichzelf kan zorgen’. Dit staat in schril contrast met het nog te fel verspreide paternalistisch ‘zorgen voor iemand’. In deze eigenwijze, in feite zelfs arrogante houding wordt dikwijls niet naar de noden of wensen van de patiënt gevraagd. In deze gedateerde visie gaat dit type van zorgverleners er immers vanuit het best te weten wat goede zorg is. Dit verklaart meteen ook hun tegenstand tegen euthanasie en voorkeur voor palliatieve sedatie.    De arts en de zorgverleners vormen de medische expertise,maar de burger als patiëntis bij uitstek de menselijke expert. Samenspel tussen beideleidt tot de beste resultaten voor de patiënt.     De arts en de zorgverleners vormen weliswaar de medische expertise, maar de burger als toekomstige patiënt is bij uitstek de menselijke expert. Samenspel tussen beide leidt tot de beste resultaten voor de patiënt.   Burgers kunnen slechts goed beslissen en kiezen wanneer ze over alle mogelijke opties met hun voor- en nadelen werden ingelicht. Juist hiervoor werd de vzw LevensEinde InformatieForum (LEIF) opgericht. Kunnen beschikken over objectieve, transparante informatie en achting krijgen voor de eigen keuzes is immers een elementair mensen- en patiëntenrecht.   En respect voor de eigen regie geldt niet alleen voor het levenseinde, maar voor de ganse levensloop.   Er is nog werk aan de winkel.  Meer informatie  Kom meer te weten over LEIF op www.leif.be   

“De euthanasiegrens verleggen, zet onze beschaving op losse schroeven”

24-10-2023

We willen zelf kunnen beslissen over ons leven. En ook over onze dood. Euthanasie lijkt voor de meeste mensen aanvaardbaar en zelfs een verworven recht geworden. An Haekens, ouderenpsychiater en medisch directeur van Alexianen Tienen, stelt vast dat de discussie omtrent euthanasie steeds verder opschuift. Moeten we euthanasie in meer situaties toestaan? En mogen ouderen hun eigen dood kiezen, als ze vinden dat hun leven voltooid is? In dit opiniestuk benoemt Haekens de vele gevaren die die beslissing volgens haar met zich meebrengen.   Verleggen we de grens?  Zelf voor de dood kiezen als je daar klaar voor bent. Sterven op een ‘hoogtepunt’, nog voor alle kwalen, ongemakken of ziektes de kop op steken. Die (laatste) levensfase er niet meer bijnemen. Er een punt achter zetten, wanneer je na heldere overweging vindt dat er meer ‘nadelen’ dan ‘voordelen’ zijn aan verder (te moeten) leven. Kortom, sterven als je van mening bent dat het leven voltooid is.   Wettelijk gezien dient er voor euthanasie sprake te zijn van ondraaglijk fysiek en/of psychisch lijden ten gevolge van een medisch uitzichtloze aandoening. Maar er doemt een nieuwe discussie aan de horizon op: Als ik het ‘recht’ heb om te sterven als ik ondraaglijk lijd, waarom zou het dan niet mogelijk zijn om ook zelf voor de dood te kiezen, los van situaties van ondraaglijk lijden, los van een medische aandoening?     Wettelijk gezien dient er sprake te zijn van ondraaglijkfysiek en/of psychisch lijdendoor een medisch uitzichtloze aandoening.Maar er doemt een nieuwe discussie op.   Voor mensen die overtuigd zijn van de absolute heiligheid van het leven, is het antwoord eenvoudig: euthanasie bij een voltooid leven kan niet. Maar vanuit een zuiver autonoom mensbeeld komt men ook automatisch, snel en gemakkelijk tot een omgekeerde conclusie: dergelijk recht op sterven bij een voltooid leven moet evident mogelijk gemaakt worden.   In die laatste positie zit wel enige tegenstrijdigheid, namelijk dat men dit niet zelf kan volbrengen, want dan is het suïcide. Men heeft dus de hulp nodig van een ander – en bij uitbreiding van de samenleving. Het moet bovendien altijd binnen een samenleving van mensen vorm krijgen. En net daar zie ik een hele reeks problemen of gevaren opduiken. Ze maken het debat op zijn zachtst gezegd niet evident. Ook al gaan er meer en meer stemmen op voor deze mogelijkheid, niet in het minste bij vele oudere mensen.   Heel wat voorwaarden   De voorlopige conclusie van dat debat is dat de mogelijkheid voor euthanasie er is, maar dat die omkleed werd met een aantal wettelijke voorwaarden. Ondertussen werden die bovendien door heel wat organisaties aangevuld met een hele reeks medische en ethische extra zorgvuldigheidsvereisten. Er is nog steeds discussie over de vraag hoe robuust deze voorwaarden zijn en of deze al dan niet vatbaar zijn voor misbruik.  Daarnaast laat een evaluatie van de euthanasiewet nog steeds op zich wachten. We hebben de voorbije jaren gezien hoe de discussie steeds is opgeschoven: aanvankelijk ging het om levensbeëindiging in terminale situaties waar het fysieke lijden niet onder controle te krijgen was. Stilaan kwamen er meer vragen naar levensbeëindiging omwille van uitzichtloos psychisch lijden. En de wet is ondertussen ook uitgebreid naar minderjarigen. De laatste jaren zien we bovendien een nieuwe categorie ontstaan (die wettelijk trouwens nooit zo bepaald werd): euthanasie omwille van polypathologie. Dit betekent dat er meerdere aandoeningen aanwezig moeten zijn (maar niet noodzakelijk dat deze terminaal moeten zijn). Ondertussen is euthanasie omwille van polypathologie, na kanker, de tweede belangrijkste reden voor euthanasie.  Hoe ver gaat menselijke autonomie?   Er bestaat in onze westerse cultuur, over levensbeschouwingen heen, een consensus over de specifieke beschermwaardigheid van het menselijk leven. Dat verklaart waarom het ons meer raakt wanneer een mens op straat overreden wordt, dan wanneer een dier overreden wordt (hoewel ook het leven van dieren beschermwaardig is). Of waarom we veel aandacht besteden aan het lichaam van een overleden mens, die we nog altijd als een persoon beschouwen met specifieke rechten en we hem omringen met respect en bejegening. Het is een grondslag van de menselijke beschaving.   Dat betekent dat we mensen met bepaalde rechten hebben omkleed die universeel afdwingbaar zijn. Ook betekent het dat we uiterst gevoelig zijn wanneer we raken aan de grenzen van leven en dood. Daarom zetten we alle middelen in om de dader te vinden wanneer we een moord vermoeden. En daarom discussiëren we over het exacte tijdperk vanaf wanneer we geen abortus meer toelaten op een ongeboren kind.   Het is ook de reden waarom onze samenleving (terecht) zo massaal inzet op de preventie van suïcide en er ook een morele plicht bestaat om iemand in een noodsituatie te helpen. Dat verklaart eens te meer waarom er zo’n heftige maatschappelijke discussie is geweest (en nog steeds bestaat) over euthanasie. Want er wordt hier toch actief een einde gemaakt aan het leven van de menselijke persoon, weliswaar op diens uitdrukkelijk verzoek.    Euthanasie bij ouderendie losstaat vanondraaglijk en onomkeerbaar menselijk lijdenop basis van een medische grondslag,is niet zomaar een stapje verder.   Euthanasie bij ouderen die losstaat van ondraaglijk en onomkeerbaar menselijk lijden op basis van een medische grondslag, is niet zomaar een stapje verder. Want een zelfgekozen dood mogelijk maken of assisteren omdat iemand ‘klaar’ is met leven, betekent een hele grote verschuiving. Wellicht is dit zelfs de meest doorgedreven vorm van menselijke autonomie. Als ik wil sterven, dan moet ik kunnen sterven. Zoals de Australische Philip Nitschke (‘dr. Death’) recent in De Morgen argumenteerde: “De reden, hoe banaal ook, doet er niet doe, het is mijn reden. Dat is voldoende.”  Een gevaarlijke evolutie  Doodswens kan doorheen de jaren veranderen of verdwijnen  Ten eerste is het zo dat ouderen die een doodswens uiten, verschillende dingen bedoelen. Zelfs binnen de groep ouderen met een actieve doodswens is er verschil. Dat stelde Els van Wijngaarden vast, die in Nederland onderzoek deed naar de doodswensen van ouderen. Verder toonde dit onderzoek aan dat zo’n doodswens niet betekent dat men onmiddellijk dood wil. En bovendien kan die doodwens door de jaren heen verminderen of verdwijnen, ook op hoge leeftijd. Opvallend in dit onderzoek was dat 28% van de ondervraagden zei al het leven lang een doodswens te hebben. Die doodswens bestaat meestal om diverse redenen.    Een doodwens kan door de jaren heenverminderen of verdwijnen,ook op hoge leeftijd.Een genuanceerde blikis dus noodzakelijk.     Het gaat dus niet om één groep mensen die een weloverwogen, rationele en onveranderbare beslissing neemt. Het gaat om een heel complex gegeven. Een genuanceerde blik op de groep ouderen met een doodswens is dus noodzakelijk.   Leeftijd als relativerende factor  Een tweede reden bevindt zich in het feit dat er nog steeds discussie is over de vraag of een rationele ‘balanssuïcide’ wel bestaat. Het VLESP zegt hierover: “Ouderen zouden een balans opmaken van hun leven en vanuit deze rationele overweging beslissen om uit het leven te stappen. Dit gaat echter voorbij aan het feit dat deze mensen wel degelijk ‘lijden’ en dat die ‘keuze’ vaak gedreven wordt door hopeloosheid. Onderzoek wijst uit dat ook bij ouderen zelfmoord te voorkomen is.” Dit betekent dat er een gevaar dreigt dat een doodswens, die op het eerste zicht weloverwogen en rationeel lijkt te zijn, op oudere leeftijd minder snel in vraag wordt gesteld dan op jongere leeftijd.    Bij jongere mensen zal men meer moeite doen om op zoek gaan naar onderliggende problematieken. Men weet uit onderzoek dat ook hulpverleners, die niet vertrouwd zijn met het werken met oudere mensen, hun verwachtingen minder hoog leggen en klachten en lijden makkelijker toeschrijven aan de leeftijd. Hoewel het om behandelbare aandoeningen gaat.    Leeftijdsgrens? Ten derde moeten we stilstaan bij de vraag hoe men dit tot ‘ouderen’ kan beperken? Wie zijn dan de ouderen? Op basis van welke criteria zal men een leeftijdsgrens hanteren? 75 jaar? 85 jaar? Elke grens zal arbitrair zijn. Zal de volgende stap niet zijn dat dit uitgebreid moet worden naar alle meerderjarigen in onze samenleving? Iemand van 20 of 30 jaar kan misschien ook de overtuiging hebben ‘klaar’ te zijn met het leven. Willen we dat onze (klein)kinderen ook van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken of willen we het alleen voor onszelf?   Geen reden meer om te werken aan preventie  Het concept van euthanasie omwille van ‘klaar met leven’ of ‘voltooid leven’ zet bovendien de idee van de beschermwaardigheid van het menselijk leven fundamenteel op de helling. Zo is er is op dat ogenblik geen reden meer om nog te werken aan preventie van suïcide. Want waarom zouden we inspanningen blijven doen om mensen te weerhouden om zichzelf te suïcideren als we langs de andere kant hun vraag tot hulp bij zelfdoding honoreren, enkel omdat zij het vragen.  Geen daling van zelfdodingen  Een argument dat vaak wordt aangehaald is dat de mogelijkheid tot euthanasie de zelfdodingscijfers zou doen dalen. Een bijzonder interessante studie van Jones uit 2022 weerlegt dat argument. Hij concludeerde dat er geen evidentie bestaat dat de legalisering van euthanasie en ‘assisted suicide’ een gunstig effect zou hebben op suïcidepreventie. Integendeel: er blijkt robuuste evidentie voor het omgekeerde, namelijk dat het totaal aantal zelf geïnitieerde overlijdens (alle overlijdens op eigen initiatief: euthanasie en suicide, red.) significant toeneemt in die landen waar euthanasie wettelijk mogelijk is. Bovendien is er ‘some evidence’, maar minder robuust, dat het aantal overlijdens door zelfdoding ook toeneemt.     Er is geen wetenschappelijke aanwijzingdat de legalisering van euthanasiezou zorgen voor een daling van het aantal zelfdodingen.   Er is dus geen wetenschappelijke aanwijzing dat er een daling zou zijn van het aantal zelfdodingen. Meer nog, de wet uitbreiden voor voltooid leven, zal zonder twijfel de manier waarop er maatschappelijk naar de dood gekeken zal worden, verder beïnvloeden. We moeten als maatschappij dan ook ernstig nadenken vooraleer zo’n stappen worden gezet. Impact op de naaste omgeving  Denken dat een zelfgekozen dood iets strikt persoonlijk zou zijn en geen impact heeft op de ander, klopt niet: of het nu om zelfdoding of euthanasie gaat, dit heeft altijd een grote impact op de omgeving. Zeker wanneer deze persoon niet (medisch) lijdt.   Wat zal de betekenis van deze keuze zijn op de partner, kinderen, kleinkinderen, ouders, buren of vrienden? Hoe verscheurend moet het zijn om als zoon of dochter te moeten leven met de doodswens van moeder of vader, terwijl deze in principe nog jaren zou kunnen leven. Deze naasten hebben ook ‘rechten’ en is het dan ook van groot belang om rekening te houden met deze naasten.  Impact op de samenleving  En niet alleen op de naaste omgeving heeft dit impact. Ook op de ruimere omgeving en de samenleving. Maar door een aantal ouderen wordt dat niet zo ervaren, omdat ze het gevoel hebben ‘er niet meer bij te horen’. Ze lijden onder een gebrek aan verbinding, soms met zichzelf, of met de anderen of met de samenleving. Sommigen voelen zich eenzaam, niet langer ernstig genomen, of willen niet tot last zijn voor de anderen. De ‘zin’ in hun leven verdwijnt.     Als we geen samenleving creërenwaar ouderen een belangrijkeen zinvolle rol kunnen spelen,wat zullen dan de gevolgen zijn op lange termijn?   Omdat we geen maatschappelijke inspanningen leveren om tegemoet te komen aan hun noden of omdat we geen samenleving creëren waar ouderen een belangrijke en zinvolle rol kunnen spelen, wat zullen dan de gevolgen zijn op lange termijn? Want als een samenleving het ‘normaal’ vindt dat ouden vanaf een bepaalde leeftijd er ‘uit mogen stappen’, zal dat dan ook niet de (al dan niet impliciete) verwachting worden? Hoe vrij is dan nog de keuze voor de dood? Is er dan nog wel sprake van ‘zelfbeschikking’?     Een nieuw soort professional   Hoewel men een cleane dood wil, zal men in situaties buiten een sfeer van lijden of een medische aandoening, geen beroep kunnen doen op artsen. Dit creëert nieuwe problemen waar we als samenleving grondig over moeten nadenken. We zullen op zoek moeten naar een nieuw soort ‘professional’. Maar wat is het profiel, de motivatie, de begeleiding en de evaluatie van deze mensen?   Onze beschaving op losse schroeven  We worden steeds ouder en voor het eerst in de geschiedenis worden we geconfronteerd met langdurige en meerdere ouderdomskwalen, chronische aandoeningen en toenemende afhankelijkheid. Bovendien krijgen ouderen steeds meer het gevoel er niet meer bij te horen en tot last te zijn van de jongere generaties. In die context klinkt een steeds luidere roep dat ouderen het recht zouden krijgen om te kiezen voor de eigen dood, zonder dat er sprake is van (medisch) lijden, soms om dit lijden ‘voor te zijn’.     De gevolgen zullen niet te overzien zijn:alles wat ons tot eenmenselijke ‘beschaving’ maakt,zal op losse schroeven komen te staan.    En hoewel zo’n roep vanuit het (steeds meer evidente) recht op zelfbeschikking, autonomie en individueel perspectief te begrijpen valt, zijn hier toch grote moeilijkheden te verwachten. Want deze beslissing tast de bescherming van het leven én van ons sociale weefsel aan. In die mate zelfs, dat er geen juiste proporties kunnen gevonden worden om dit structureel mogelijk te maken. De gevolgen zullen niet te overzien zijn: alles wat ons tot een menselijke ‘beschaving’ maakt, zal op losse schroeven komen te staan.

Dave Ceule

"Een samenleving waar ouderen volwaardig aan deelnemen, is een rijkere samenleving"

17-10-2023

De Vlaamse Ouderenraad kijkt tijdens de campagne ‘Bepaal je eigen verhaal’ niet alleen naar wat er kan veranderen binnen de ouderenzorg. Daarvoor kijken we ook over het muurtje van andere domeinen. Wat kunnen we leren uit andere sectoren, bijvoorbeeld uit de sector personen met een handicap? In dit opiniestuk legt Dave Ceule de twee sectoren naast elkaar. Hij is directeur van Onafhankelijk Leven, een vzw die mensen met een fysieke of verstandelijke handicap helpt om de regie van hun leven in handen te nemen. Ceule legt paralellen door ons mee te nemen in de omwenteling van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap, en te kijken wat we daar binnen de ouderenzorg van kunnen meenemen.  Gigantische uitdagingen  In Vlaanderen staan we op het vlak van ouderenzorg én de zorg voor mensen met een handicap voor een gigantische uitdaging. Zowel het aantal ouderen als het aantal mensen met een handicap stijgt jaarlijks. Statistiek Vlaanderen berekende dat 21% van de Vlaamse bevolking 67 jaar of ouder zal zijn in 2030. Tegen 2030 zal Vlaanderen daardoor 1,47 miljoen 67-plussers tellen. Dat zijn er 268 000 meer dan in 2020. Ook het aantal mensen met een handicap neemt jaarlijks toe en het aantal mensen dat omwille van ouderdom een handicap krijgt, zal ook steeds groter worden. Er zijn dus wel wat paralellen te trekken tussen de uitdagingen waar beide sectoren voorstaan.   Het verhaal van Jan-Jan Sabbe   De voorbije twintig jaar gebeurde in Vlaanderen een omwenteling binnen de sector handicap. Jan-Jan Sabbe is één van de spraakmakende figuren die het huidige beleid mee vorm gaf. Jan-Jan viel in 1979 op 23-jarige leeftijd uit een boom en raakte volledig verlamd. Het leek voor de samenleving evident dat Jan-Jan zijn verdere leven in een voorziening zou wonen. Maar hij had plannen. Hij wou zoals veel mensen een relatie, een actief leven, een huis en tuintje. Hij kwam in contact met Adolf Ratzka, een Zweedse man met een handicap en voorvechter van de Independent Living Movement. Ratza overtuigde Jan-Jan om, ondanks zijn handicap, zijn dromen na te streven. Jan-Jan bouwde de Independent Living beweging in Vlaanderen uit. Hij lag aan de basis van Onafhankelijk Leven en samen met een groep gedreven medestanders ijverden ze voor het recht op persoonlijke assistentie. Hij wou leven in de samenleving. In 1996 spande Jan-Jan een proces aan tegen de overheid. Hij vond dat het geld dat naar voorzieningen gaat, rechtstreeks aan mensen met een handicap moet worden gegeven. Zo kunnen ze zelf beslissen hoe ze hun ondersteuning regelen. Hij won het proces.  Samen met een groep medestanders streed Jan-Jan voor de rechten van mensen met een handicap. Hij was niet alleen. Wereldwijd deden mensen met een handicap hetzelfde. De Verenigde Naties besloot om in 2007 een specifiek verdrag voor de rechten van mensen met een handicap te maken. België ondertekende dit in 2009. Het VN-verdrag zegt dat alle mensen met een handicap moeten kunnen genieten van alle mensenrechten zoals het recht op toegankelijkheid, recht op zelfstandig wonen en deel uitmaken van de samenleving.     "Het VN-verdrag voor personen met een handicapzegt dat alle mensen met een handicapmoeten kunnen genieten van alle mensenrechten"   Het VN-verdrag zorgde in de sector personen met een handicap voor een ommekeer van het medisch zorgmodel naar het burgerschapsmodel. Voortaan staan autonomie, keuzevrijheid, eigen regie en kwaliteit van leven centraal. Het medisch zorgmodel bekeek mensen met een handicap vooral als mensen die hulp- en zorgbehoevend zijn. Na de tweede wereldoorlog was Vlaanderen koploper in het bouwen van voorzieningen. Mensen met een handicap kregen een plaats buiten de samenleving waar ze goede zorg kregen. Maar dit beleid zorgde er ook voor dat het voor mensen met een handicap zeer moeilijk was om deel te nemen aan het reguliere maatschappelijke leven.  Het VN-verdrag was mee de motor van het Perspectiefplan 2020 van toenmalig minister Jo Vandeurzen. Dat was het resultaat van een uit 2010 opgestart ambitieus plan van de Vlaamse overheid om tot een inclusieve samenleving te komen. Het burgerschapsmodel vormde voortaan de leidraad voor het Vlaamse beleid rond handicap.  21 jaar na het proces van Jan-Jan Sabbe voerde de Vlaamse regering persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen in. Vandaag krijgen bijna 30 000 mensen met een handicap een persoonsvolgend budget. Met dit budget kunnen ze zelf beslissen hoe ze hun ondersteuning organiseren. Ze kunnen kiezen of ze gebruikmaken van een voorziening, zelfstandig thuis wonen of een combinatie van beide.   Vandaag blijft het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap de motor voor sociale verandering.  Het verhaal van Clara Kints  Ook bij ouderen zijn heel wat spraakmakende figuren. Maar ik zoek het even wat dichter bij huis. Mijn grootmoeder, Clara Kints, was 94. Haar hele leven was ze een zelfstandige vrouw. Ze ging al op jonge leeftijd werken, bouwde later haar eigen kruidenierszaak uit en zorgde ervoor dat haar gezin niets tekort had. Mijn opa stierf toen ze 84 was.   Nu ze oud geworden was, kon ze niet meer stappen, haar armen niet meer gebruiken en was ze volledig afhankelijk van anderen geworden. De verhuis naar een woonzorgcentrum leek voor haar specialist een goede stap. Daar zou ze goede zorg krijgen. Dat vond Clara maar niets. Ze woonde liefst in haar eigen woning, kreeg graag volk over de vloer en genoot van de zon in haar veranda. Zij vond dat ze het recht had om zelf te beslissen waar ze woonde, wat ze at, hoe ze haar dag invulde en wanneer ze naar bed ging. Straffe eisen? Precies wel. Na een operatie was ze al eens tegen haar zin opgenomen in een revalidatiecentrum. En haar huisarts, een gevestigde dorpsarts, gaf haar het gevoel dat ze in extra tijd leefde en er maar het beste van moest maken.    "Zelf kunnen beslissenwaar je woont, wat je eet,wanneer je in bed gaat.Als je ouder wordt, is zoiets simpelsniet meer zo evident."   Ze gaf niet op. Ze besloot te veranderen naar een jongere huisarts. Want ze vond die competenter en die luisterde naar haar noden. Na een langdurig overleg met het multidisciplinair team, stemde men in om haar toch terug thuis te laten wonen. Maar dit kon alleen indien vrijwilligers haar zouden ondersteunen, haar dochter mantelzorger werd, ze een personenalarm droeg en ze instemde met het dragen van een pamper. Want de verpleging kwam vier keer per dag, maar toiletbezoeken waren niet voorzien. En er was ook geen continue ondersteuning.   Mijn grootmoeder sprak met haar huisarts af dat ze alleen nog naar het ziekenhuis zou gaan als ze kans op herstel had. Anders wou ze in haar eigen woning blijven en sterven met zicht op de tuin. Uiteindelijk kreeg ze een hersenbloeding. Haar jonge en gedreven arts belde niet de ziekenwagen, maar zorgde dat haar familie bij haar bleef. Ze stierf in de armen van haar kleinkinderen.  Om zelfstandig te leven, moest Clara op hoge leeftijd een strijd aangaan tegen zorgverstrekkers met goede bedoelingen. Tegen een maatschappij die het beter vindt dat oudere mensen goed verzorgd worden in aangepaste voorzieningen. Zelf kunnen beslissen waar je woont, wat je eet, wanneer je in bed gaat. Als je ouder wordt, is zoiets simpels niet meer zo evident. Ze liet me inzien dat ook oudere mensen dromen hebben en kwaliteit van leven meer is dan goede medische zorg.   Veel meer dan het medische aspect   De verwachtingen van mijn grootmoeder en die van Jan-Jan Sabbe lagen, ondanks het grote leeftijdsverschil, niet zo ver uit elkaar. Ook ouderen willen zelf over hun leven beslissen. Goede medische zorg is uiteraard belangrijk. Maar kwaliteit van leven omvat voor oudere mensen veel meer dan het medische aspect.    "Binnen de sector personen met een handicapzorgde de invoer van persoonsvolgende financiering ervoordat mensen met een handicaphun leven zelfstandiger kunnen inrichten."   Binnen de sector personen met een handicap zorgde de invoer van persoonsvolgende financiering ervoor dat mensen met een handicap hun leven zelfstandiger kunnen inrichten. Of om het in de woorden van Sebastian Dürr (die verlamd werd na een ongeval) te zeggen:  "Toen ik recht kreeg op mijn assistentiebudget, ging een nieuwe wereld voor mij open. Ik kon zelf kiezen wie me op welk moment kon ondersteunen, ik kon een actieve vader zijn voor mijn kinderen, werken, met familie en vrienden gaan eten, gaan zwemmen en ook eens op vakantie gaan. Het gaf me het gevoel om weer deel uit te maken van de samenleving. En mijn kinderen kregen terug het gevoel dat hun papa kon meedoen."  Sinds de invoer van persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen in 2017, zien we dat het aantal mensen met een handicap dat voor een inclusief leven kiest, jaarlijks stijgt. Wie vandaag een budget krijgt, gaat meer op verkenning, zoekt naar oplossingen in de thuiscontext of een combinatie van voorziening en thuis. De keuzevrijheid wordt groter. Al zijn er natuurlijk serieuze pijnpunten. Het budget is niet flexibel. Heb je meer middelen nodig, dan moet je een nieuwe procedure doorlopen en kan het jaren duren vooraleer je een aangepast budget krijgt. Daarnaast staan bijna 17 000 volwassenen met een handicap op een wachtlijst. De overheid erkent dat ze recht hebben op een persoonsvolgend budget, maar maakt voorlopig geen middelen vrij.   Persoonsvolgende financiering in de ouderenzorg?  Voormalig minister Vandeurzen zag reeds in 2017 een link tussen handicap en ouderenzorg. De regie in eigen handen houden, gaat zowel op voor mensen met een handicap als voor ouderen. Hij pleitte voor de invoer van persoonsvolgende financiering in de ouderenzorg. Net om tot een ondersteuning te komen die meer vraaggestuurd is en ouderen meer de regie in eigen handen heeft. De voorbereiding op een persoonsvolgend systeem met zorgtickets staat in het regeerakkoord, maar voorlopig is er geen vooruitgang.    "De regie in eigen handen houden,gaat zowel op voor mensen met een handicap als voor ouderen.Voormalig minister Vandeurzenpleitte voor de invoer van persoonsvolgende financieringin de ouderenzorg."   Meer zelfs, op het systeem van persoonsvolgende financiering komt regelmatig kritiek. Het zou voor minder kwaliteit zorgen, tot ellenlange wachtlijsten leiden en onbetaalbaar zijn. Maar klopt dit wel? Als we binnen Onafhankelijk Leven met onze achterban in gesprek gaan, horen we net dat persoonsvolgende financiering tot meer kwaliteit van leven leidt. Ook met een handicap, nemen mensen graag het heft in eigen handen. Met een persoonsvolgend budget kan je je eigen leven organiseren. Het persoonsvolgend budget kan je ook niet zomaar inzetten. Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ontwikkelde een duidelijk kader, doet regelmatig inspectie en waakt mee over kwaliteit.   En wat met die wachtlijsten?   Als we mensen de ondersteuning willen geven waar ze recht op hebben, moeten we voldoende middelen vrij maken. En daar knelt het schoentje. We kunnen in Vlaanderen redelijk accuraat de kostprijs voor de juiste ondersteuning berekenen. Maar elke minister van Welzijn moet opnieuw vechten voor beleidsmiddelen.   De budgetten die nodig zijn om mensen met een handicap te ondersteunen, worden niet standaard opgenomen in de begroting, maar vallen onder het zogenaamde uitbreidingsbeleid. Dit uitbreidingsbeleid is een beperkt budget dat niet volstaat om alle mensen te helpen die recht hebben op ondersteuning. Daardoor moeten de minister en administratie telkens opnieuw moeilijke keuzes maken.   James Van Casteren, topambtenaar bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, omschreef het in een interview helemaal juist:  “Dus als we de wachtlijsten willen wegwerken, staat daar zeer veel geld tegenover. Als maatschappij moeten we die keuze maken. Als iemand een arm breekt, vinden we het logisch dat hij meteen een gips krijgt. Hoe kan het dan dat mensen die een handicap verwerven jarenlang moeten wachten op hulp?”  “Wat me enorm stoort, is dat de wachtlijsten als argument worden gebruikt door tegenstanders van persoonsvolgende financiering, om dat systeem terug te schroeven. Maar persoonsvolgende financiering is er gekomen om mensen met een handicap meer keuzevrijheid te geven, het is geen wondermiddel tegen wachtlijsten. Daarvoor is meer geld nodig, punt.”  Masterplan over beleidsdomeinen heen  Persoonsvolgende financiering is geen doel op zich, maar een hulpmiddel om tot een samenleving te komen waar iedereen aan kan deelnemen. Zowel handicap als ouderenzorg worden vaak louter als een kostenpost gezien. Terwijl investeren in ouderen en mensen met een handicap betekent dat we meer werkgelegenheid creëren, ervoor zorgen dat mantelzorgers terug aan de slag kunnen gaan en het psychisch welbevinden van zowel ouderen, mensen met een handicap als familie stijgt.    "Persoonsvolgende financiering is geen doel op zich,maar een hulpmiddel omtot een samenleving te komenwaar iedereen aan kan deelnemen."   Hiervoor hebben we nood aan een masterplan over verschillende beleidsdomeinen heen. Als we de komende decennia willen voorkomen dat tal van mensen buiten de samenleving vallen, moeten we hier vandaag werk van maken.   Een samenleving waar ouderen, chronisch zieken en mensen met een handicap volwaardig aan kunnen deelnemen. Dat kan toch enkel een rijkere samenleving zijn? Meer info Lees meer over Onafhankelijk leven op www.onafhankelijkleven.be

Jozef de Borger

"Zorgwonen mogelijk voor iedereen? Yes please!"

17-10-2023

Wanneer mensen ouder worden, lijken ze vaak te moeten kiezen tussen thuis blijven wonen met hulp of verhuizen naar een assistentiewoning of een woonzorgcentrum. Over tussenvormen wordt weinig gesproken. Toch laten veel ouderen ons weten dat ze willen nadenken over alternatieve woonvormen. Waarom krijgen die zo moeilijk voet aan de grond? Jozef de Borger werkt bij Novulo Buildings, een organisatie die duurzame modulaire (mantel)zorgwoningen bouwt. In dit opiniestuk stelt De Borger de verantwoordelijkheid van de overheid op scherp. Zij kan er mee voor zorgen dat zorgwonen meer ingang vindt, en op die manier ook meer tegemoet kan komen aan vragen van mantelzorgers.    Economische meerwaarde van de mantelzorg  Mantelzorg betekent een grote meerwaarde voor onze samenleving. Als alle uren die mantelzorgers aan hulp spenderen zouden worden betaald, dan betekent dat volgens het simulatiemodel een jaarlijkse kost van 11,38 miljard euro.   Tegelijk heeft mantelzorg ook een maatschappelijke en menselijke kost, bijvoorbeeld wanneer mantelzorgers door overbelasting ziek worden en terugvallen op de ziekteverzekering. De impact van mantelzorg op de ziekteverzekering in het Vlaams Gewest wordt door de UHasselt geraamd op 0,6 miljoen euro per dag. Deze schatting is gebaseerd op de aanname dat 6% van de werkende mantelzorgers al eens uitvalt wegens ziekte door de zorgdruk. Als je weet dat 7 op 10 Vlaamse mantelzorgers op arbeidsactieve leeftijd ook nog betaald werkt, dan kan deze kost erg oplopen.    "Idealiter wordt het bedragvan de maatschappelijke kost van mantelzorggeïnvesteerd in preventieveen ondersteunende maatregelenvoor mantelzorgers."   Idealiter wordt het bedrag van deze kost geïnvesteerd in preventieve en ondersteunende maatregelen om mantelzorgers beter te erkennen, ondersteunen, en te begeleiden.  Zorgwonen als mogelijk antwoord  Mantelzorg kent een specifieke woonproblematiek, en daar komt de Vlaamse overheid deels aan tegemoet, al zijn er ook tekortkomingen. Zorgverstrekker en zorgbehoevenden wonen noodgedwongen dikwijls onder één dak. Nochtans bestaan er alternatieve woonvormen die de leefsituatie aanzienlijk verbeteren. Alleen zijn ze nog onvoldoende gekend en blijkt de regelgeving hieromtrent onvoldoende bij lokale besturen te zijn doorgedrongen.    "Er bestaan alternatieve woonvormendie de leefsituatie aanzienlijk verbeteren.Alleen zijn ze nog onvoldoende gekenden blijkt de regelgeving onvoldoende te zijn doorgedrongen."   Er is sprake van een zorgwoning als voldaan is aan drie voorwaarden: één ondergeschikte wooneenheid in of bij een bestaande woning, de mantelzorger woont in deze hoofdwoning en de mantelzorgwoning huisvest maximum twee personen – waarvan minstens één persoon ouder dan 65 jaar of minstens één persoon met zorgnoden.  Belangrijk in dit perspectief is het decreet van 18 juni 2021 tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het decreet geeft ruimte aan zorgwoningen die geplaatst worden bij een hoofdwoning. Een eenvoudige melding via het Omgevingsloket van de Vlaamse overheid volstaat. Die melding geldt voor de plaatsing van een zorgwoning gedurende drie jaar. Dit kan één keer verlengd worden met nog eens drie jaar. Het gaat dus over een tijdelijke oplossing, gericht op acute situaties. Zo wordt er kort op de bal gespeeld. Komt er vroeger dan voorzien een einde aan de zorgsituatie, dan moet de zorgwoning worden weggenomen.  Bij langere zorgsituaties is een omgevingsvergunning nodig.   Zes jaar is niet genoeg  Steeds meer ouderen willen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving wonen. En dat vertaalt zich ook in de aanvragen van een zorgwoning. In 2022 waren er 762 meldingen bij het Omgevingsloket. Dat is dubbel zoveel als het jaar voordien.     "Bewoners van zorgwoningenstellen de dwingende vraagom de maximale periode van zes jaarvoor een mobiele zorgwoningte verlengen tot 'zolang de zorg duurt'."   De melding geldt slechts voor zes jaar, om dan mogelijks te moeten verhuizen naar een woonzorgcentrum. Hierin zien maar weinig ouderen heil, net zoals hun zorgende mantelzorgers. Nu kan na zes jaar de mobiele zorgwoning blijven staan mits een volwaardige omgevingsvergunning. Dit creëert veel onzekerheid bij de bewoners. Deze angel in de regelgeving doet mensen twijfelen of ze wel naar een mobiele zorgwoning zouden gaan.   Vanuit de bewoners van zorgwoningen leeft dan ook de dwingende vraag om de maximale periode van zes jaar voor het toestaan van een mobiele zorgwoning te verlengen tot “zolang de zorg duurt”. In het Vlaams parlement gingen al stemmen op om daaraan tegemoet te komen.   Uitbreiding van de Vlaamse huursubsidie, een stap voorwaarts  Maar hoewel alternatieve woonvormen steeds meer erkenning en belangstelling krijgen, kan de overheid naast deze verlenging ook financieel nog veel mensen een duwtje in de rug geven.     "Mensen met zorgnoden die verhuizenvan een onaangepaste woningnaar een mobiele zorgwoning,worden vandaag uitgesloten van financiële steun."   Ouderen die een laag inkomen hebben en in een onaangepaste woning wonen, kunnen dankzij de Vlaamse huursubsidie naar een aangepaste huurwoning verhuizen. Maar mensen met zorgnoden die verhuizen van een onaangepaste woning naar een mobiele zorgwoning, worden vandaag uitgesloten van deze financiële steun. En dat is een lacune in het kwadraat. Die Vlaamse huursubsidie moet daarom ook verruimd worden naar deze groep.  Toenemende bewustwording  Maar laat ons vooral positief eindigen. Want ondanks deze uitdagingen zijn er positieve ontwikkelingen gaande. Steeds meer mensen realiseren zich de voordelen van deze alternatieve woonvorm. Met toenemende bewustwording en inzet van de overheden zullen deze woonvormen hopelijk steeds meer geaccepteerd en toegankelijk worden.   Meer info Lees meer over Novulo op www.novulo-buildings.be

Blog

In gesprek met Ingrid en Jan: “De zorg is niet aangepast aan ouderen die doof zijn”

13-10-2023

Ingrid en Jan zijn doof geboren. Daardoor doen ze al hun hele leven lang een beroep op hulp- en ondersteuningsvormen. Denk maar flitssystemen voor de deurbel, telefoon, wekker en het brandalarm. Waar niet-dove mensen gebruikmaken van een geluidssignaal, rekenen dove mensen op lichtsignalen. Ondanks de verschillende vormen van ondersteuning die Ingrid en Jan gewend zijn, hebben ze toch schrik voor de toekomst. Want wat als niet alle ondersteuningsvormen zijn aangepast aan doven? Wat als ze zorgnoden krijgen, maar ze door hun doofheid niet kunnen communiceren met thuiszorgdiensten? En wat als ze moeten verhuizen naar een woonzorgcentrum, maar niet in gesprek kunnen gaan met de andere bewoners? In een open babbel delen Ingrid (58) en Jan (64) hun bezorgdheden met ons. Jullie doen al een beroep op verschillende ondersteuningsvormen, om zelfstandig te kunnen leven. Vonden jullie het moeilijk om alle nodige vormen van ondersteuning te vinden? Jan: “Er zijn verschillende bedrijven die gespecialiseerd zijn in hulpmiddelen voor dove en slechthorende mensen. Aangezien ik al sinds mijn kindertijd gebruikmaak van die hulpmiddelen, heb ik de weg naar hulp altijd makkelijk gevonden. Bovendien worden de meeste hulpmiddelen terugbetaald voor het VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap).” Ingrid: “Klopt. Wij hebben allebei een erkenning van het VAPH, omdat we doof geboren zijn. Word je pas doof of slechthorend na je 65e? Dan heb je geen recht op terugbetalingen via het VAPH. Wat ik wel een nadeel vind van het terugbetalingssysteem? Je krijgt elk hulpmiddel maar één keer terugbetaald binnen een termijn van zeven jaar. Mijn rookmelder die een lichtsignaal afgeeft, is recent stukgegaan. Maar de termijn van zeven jaar is nog niet verlopen, dus ik kan geen nieuw toestel aanvragen. Mocht mijn woning nu branden, dan komt de verzekering niet tussen omdat ik geen werkende rookmelder heb. Bovendien kan ik ook niet ruiken, waardoor ik echt afhankelijk ben van die rookmelder.” Jan: “Om onze erkenning bij het VAPH te blijven behouden, moeten we ons regelmatig laten onderzoeken. Aan de hand van een puntensysteem, krijg je een score over je ‘beperking’. En aan de hand van die score, heb je recht op bepaalde terugbetalingen. Omdat die score kan veranderen doorheen je leven, moeten we die onderzoeken blijven doen.” Ingrid: “Zonder die hulpmiddelen zou mijn levenskwaliteit trouwens een pak minder goed zijn. Als je doof geboren wordt, heb je hulpmiddelen nodig vanaf je geboorte tot je sterft. Ik heb het daar nooit moeilijk mee gehad.” Momenteel hebben jullie nog geen andere zorgnoden. Heb je schrik voor zorgnoden die eventueel in de toekomst kunnen opduiken? Jan: “Ja, eigenlijk wel. Mocht ik zorgnoden krijgen - waardoor ik bijvoorbeeld niet meer zelfstandig naar de winkel kan, of mij niet meer zelf kan wassen – dan vind ik het niet vanzelfsprekend om een zorgverlener toe te laten in mijn huis. Want er zijn enorm weinig zorgverleners die gebarentaal kunnen. Gelukkig ken ik wel mensen die positieve ervaringen hebben met thuiszorgdiensten. De meeste zorgverleners zijn vriendelijk en willen hun patiënten écht helpen. Ze gaan dan ook aan de hand van (onofficiële) gebaren hun best doen om zich uit te drukken en te communiceren. Maar toch zou ik sneller rekenen op familieleden om mij te helpen.” Er zijn enorm weinig zorgverleners die gebarentaal kunnen.  Jan Ingrid: “Een ander probleem is dat je bij thuiszorgdiensten niet altijd dezelfde zorgverlener aan huis krijgt. Maar als doof persoon is het erg moeilijk om aan een zorgverlener uit te leggen wat je noden en behoeften zijn. Mocht je altijd dezelfde zorgverlener krijgen, dan heb ik er vertrouwen in dat dat contact goed zal verlopen. Krijg je altijd een andere? Dan niet, want dan moet je je steeds opnieuw met handen en voeten proberen uitdrukken.” Jan: “Veel ouderen vinden de bezoekjes van zorgverleners ook leuk, omdat ze eens een babbeltje met hen kunnen slaan. Bijvoorbeeld over het nieuws, over het weer of over iets dat ze hebben meegemaakt. Maar wij kunnen dat niet door de taalbarrière. Wij hebben veel kennis, maar kunnen die met niemand delen.” Ingrid: “Ook ik zou daardoor sneller hulp vragen aan mijn partner, dan aan een professionele zorgverlener. En twijfel ik over iets? Dan vraag ik advies aan mijn kinderen. Gelukkig ben ik assertief. Mocht ik ooit thuiszorg nodig hebben, dan zou ik écht op mijn strepen staan tot ik een hulpverlener vind die gebarentaal kent. Al is het maar een beperkte kennis. Maar veel ouderen durven dat niet, en aanvaarden de hulp die ze krijgen. Ook al schiet die hulp tekort.” Staan jullie ervoor open om ooit naar een woonzorgcentrum te verhuizen? Ingrid: “Ik ben mij ervan bewust dat de kans bestaat dat ik ooit naar een WZC zal verhuizen. Maar die gedachte maakt me ook bang. Veel dove ouderen die in een WZC wonen, zijn eenzaam. Hoe dat komt? Ze kunnen geen contacten leggen met andere bewoners, omdat ze niet horen. En de andere bewoners kunnen meestal geen gebarentaal. Dat zorgt ervoor dat – wanneer bewoners die doof zijn deelnemen aan een activiteit – ze zich toch erg eenzaam voelen. Ze kunnen tenslotte met niemand gesprekken voeren.” Veel dove ouderen die in een WZC wonen, zijn eenzaam. Ze kunnen geen contacten leggen met andere bewoners, omdat ze niet horen. Ingrid “Ook de personeelsleden kunnen meestal geen gebarentaal. Als bewoner aantonen dat je je niet lekker voelt, ergens pijn hebt of ziek bent, is daardoor vaak niet mogelijk. Die eenzaamheidsgevoelens en taalbarrières zorgen ervoor dat dove ouderen soms sneller fysiek en mentaal achteruitgaan.” Jan: “Veel dove ouderen die wel al zorgnoden hebben, maar met de nodige hulpmiddelen thuis kunnen blijven, willen dan ook niet verhuizen. De schrik om niet te kunnen communiceren met medebewoners en personeelsleden is te groot.” Ingrid: “Klopt. Die angst leeft bij heel veel dove senioren. Daarom werkt Doof & Senior, de organisatie waar Jan en ik lid van zijn, aan een woonzorgcentrumproject. Met dat project willen we ervoor zorgen dat er in elke provincie een woonzorgcentrum is met een afdeling voor dove en slechthorende ouderen. Wanneer er tien dove ouderen samenwonen op een afdeling? Dan voelen ze zich meteen een pak minder eenzaam, omdat ze met elkaar in gesprek kunnen gaan. En elke afdeling moet dan ook enkele personeelsleden en animatoren aanwerven die gebarentaal kunnen, of enkele van hun medewerkers opleiden. Nu wonen dove ouderen erg versnipperd in woonzorgcentra. Mochten ze samen op een afdeling kunnen wonen in hun provincie, kan dat het welzijn van die groep sterk verbeteren.” “Er bestaat vandaag één woonzorgcentrum met een afdeling voor dove en zorgbehoevende ouderen: Huize Vincent in Tielrode. Maar niet alle Belgische dove ouderen staan ervoor open om naar Tielrode te verhuizen. Ze willen hun vrienden en familieleden in de buurt niet zomaar achterlaten. Al twee jaar lang sensibiliseren we daarom voor een specifieke afdeling in elke provincie. Helaas nog zonder succes. Veel steden en gemeenten zijn twijfelachtig om zo’n afdeling in het leven te roepen. Vooral het financiële aspect houdt hen tegen. Idealiter komt er dus een soort van wetgeving die zo’n afdeling bij provincies verplicht.” Wij willen dat er in elke provincie een WZCkomt met een afdeling voor dove en slechthorende ouderen.  Ingrid Moeten er in een woonzorgcentrum veel zaken aangepast worden aan een doof persoon? Ingrid: “Eigenlijk valt dat goed mee. Ik heb thuis een rookmelder met een flits, en een parlofoon met video. WZC moeten dus zeker niet hun volledige infrastructuur uitbreken wanneer ze dove ouderen ontvangen (lacht).” Jan: “Wij gebruiken vooral onze gsm als hulpmiddel. Er zijn apps die belgesprekken omzetten naar tekst, bijvoorbeeld. Technologie helpt ons enorm, maar er zijn ook grenzen. Robots die gebarentaal kunnen? Daar zijn al onderzoeken naar en ontwerpen van. Maar een robot die mij komt aan- en uitkleden? Nee. Dan verkies ik toch menselijk contact.” Zijn er zaken die vandaag dove ouderen in woonzorgcentra of in een thuiszorgsituatie kunnen ondersteunen? Ingrid: “Er bestaat een afstandstolkendienst. Dat is een gratis dienst van het Vlaams Communicatie-Assistentie-Bureau voor Doven (CAB), waarbij de dove persoon een afstandstolk ziet op het beeldscherm van zijn of haar toestel, en waarbij de afstandstolk belt naar de persoon die de dove persoon wil bereiken. Zo kan alles dat tijdens het telefoongesprek gezegd wordt, vertaald worden in gebarentaal en omgekeerd.” Jan: “Klopt. Het enige nadeel? Die dienst is niet 24/7 bereikbaar. En vaak zijn de wachttijden erg lang. Je kan een afstandstolk wel op voorhand reserveren. Maar soms heb je ook acuut een dokter nodig. En als je een afstandstolk op uur reserveert, moet je er al zeker van zijn dat de thuiszorgdienst stipt bij jou langskomt.” Ingrid: “In Zweden is de afstandstolkendienst wel 24/7 bereikbaar. Misschien moeten we allemaal naar daar verhuizen (lacht).” Jan: “Mensen denken vaak dat je schriftelijk kan communiceren met dove mensen. Maar je mag er niet vanuit gaan dat elke dove oudere goed kan lezen en schrijven. En veel dove mensen kunnen ook niet praten. Zeker mensen die doof geboren zijn. Voor hen is Nederlands niet hun moedertaal, aangezien zij Nederlandse Gebarentaal spreken. Er zijn dus dove mensen die maar heel beperkt kunnen praten, lezen en schrijven.” Ingrid: “Naast een afstandstolkendienst, is er ook een gewone tolkendienst waar dove mensen een beroep op kunnen doen. Elk jaar hebben we recht op een aantal gratis ontmoetingen met een tolk. Maar omdat er tolkentekort is, lukt het ook niet altijd om een tolk te vinden op het moment dat je die ondersteuning nodig hebt.” Wat moet er veranderen in de zorg, opdat ook dove mensen op een kwaliteitsvolle manier ouder kunnen worden? Ingrid: “Mensen die in de zorg werken, moeten weten dat wij bestaan. Dat klinkt misschien gek, maar veel zorgmedewerkers in woonzorgcentra verwachten niet dat dove mensen naar een WZC verhuizen. Ze zijn totaal niet voorbereid op onze komst, en weten dus niet hoe ze met ons moeten communiceren. Of de kamers zijn niet aan dove mensen aangepast. En ook in ziekenhuizen schrikt het personeel vaak als er plots een doof persoon voor hen staat.” Jan: “En daardoor krijgen we vaak minder goede zorg. Dat is absurd. Wij hebben recht op even goede zorg als horende mensen, en willen op dezelfde manier behandeld worden. Ik zou het fijn vinden mochten alle zorgmedewerkers een beperkte kennis hebben van gebarentaal. Mocht iedereen het gebaar voor ‘goedemorgen’, of voor ‘koffie’ kennen? Dat zou veel doen. En voor ‘pijn’ of ‘ziek’. Dat zijn belangrijke begrippen.” Wij hebben recht op even goede zorg als horende mensen, en willen op dezelfde manier behandeld worden. Jan Ingrid: “Er is ook te weinig informatie over dove mensen. Idealiter komt er een brochure die alle informatie over dove ouderen bundelt. Met aanbevelingen over wat een WZC kan doen voor die groep. En met de hulpmiddelen die bestaan. Want ook horende ouderen kunnen slechthorend of doof worden. Het is belangrijk dat zorgmedewerkers weten welke hulpmiddelen er voor die groep bestaan. Momenteel hebben ze onvoldoende zicht van wat er op de markt is.” Jan: “En waarom hebben zorgopleidingen geen keuzevak gebarentaal? Dan zouden er misschien veel meer tolken bestaan. Of dan zouden sommige zorgmedewerkers zelf een basis gebarentaal kunnen.” Ingrid: “Ik blijf ook pleiten voor aparte afdelingen in WZC voor ouderen die doof zijn. Afdelingen die aangepast zijn aan de noden van dove ouderen, en met medewerkers die iets of wat kennis hebben van gebarentaal. En door dove mensen met elkaar te verbinden in een WZC, kan ook eenzaamheid bij die groep bestreden worden.” “Of we ooit naar een samenleving zullen gaan die 100% toegankelijk is? Ik vrees ervoor. Een nadeel is ook dat mensen onze handicap niet zien. Doofheid is niet zichtbaar. En daardoor zijn wij voor de samenleving een onzichtbare groep.” We leerden Jan en Ingrid kennen via Doof & Senior Vlaanderen. Een organisatie die afgevaardigden van elke seniorenafdeling van de regionale dovenclubs in Vlaanderen samenbrengt en optreedt als spreekbuis voor alle dove senioren in Vlaanderen.  

Nieuws

Van verwachtingstraject naar debattraject

29-09-2023

Begin maart 2023 lanceerde de Vlaamse Ouderenraad de campagne 'Bepaal je eigen verhaal'. We trapten het debat over de toekomst van de ouderenzorg op gang. Die eerste fase van de campagne stond helemaal in het teken van de ideeën en wensen van ouderen zelf. En dat was een succes. Duizenden ouderen namen de megafoon ter hand. In dit artikel nemen we je mee doorheen het eerste campagnetraject, en geven we je een inkijk in het doel van het tweede traject. Duizenden ouderen gaven hun mening Maar liefst 2 600 ouderen vulden op onze campagnewebsite een online test in om te weten te komen waar hun voorkeuren naar uit gaan, wanneer ze zorgnoden krijgen. Daarnaast ontvingen we bijna 2 500 creatieve ideeën op onze ideeënmuur. En dat is niet alles. Bijna 70 groepen organiseerden de voorbije maanden een denkmoment. Ze grepen de methodiek van de Vlaamse Ouderenraad aan om samen met ouderen na te denken over de ouderenzorg van de toekomst. Hoe dat verliep in een lokale ouderenraad, een lokaal dienstencentrum en een Brusselse organisatie, brachten we in beeld via een blogbericht.De Vlaamse Ouderenraad gaat met alle ideeën en wensen aan de slag. We analyseren ze om in het voorjaar te komen tot een visie op de toekomst van de ouderenzorg. De online vragenlijst en ideeënmuur blijven actief, en ook onze methodiek om samen in groep na te denken, blijft beschikbaar. Maar antwoorden die na 15 september worden ingezonden, nemen we niet meer mee in onze analyse. © Ruben Boidin Persoonlijke verhalen Maar er is nóg meer. Omdat de Vlaamse Ouderenraad zich heel goed bewust is van het feit dat we met onze campagne niet iedereen bereiken, zijn we zelf ook op pad gegaan. We gingen op zoek naar ouderen met een bijzonder verhaal. Op onze blog kan je gesprekken lezen met LGBTQI+-ouderen, en ook de ervaring van een koppel zonder kinderen brachten we in beeld.  © Ruben Boidin Start van het debattraject De tweede fase in de campagne is nu aangebroken. In die fase laten we denkers en doeners uit de sector en de academische wereld inpikken op alle verzamelde ideeën en wensen van ouderen. We doen dat aan de hand van opiniestukken.De komende maanden kan je op onze blog opinies lezen van heel wat spraakmakende stemmen. Ze werpen hun licht op vragen zoals ‘Waarom is de zorg vandaag nog zo weinig persoonsgericht?’, ‘Waarom krijgen alternatieve woonvormen voor ouderen zo moeilijk voet aan de grond?’ en ‘Hoe maken en houden we meer mensen warm voor de zorg? Wat moet er (beleidsmatig) veranderen?’. Hou de blogberichten dus zeker in de gaten!

Maggy RainbowAmbassadors
Blog

Is het huidige zorglandschap LGBTQI+-vriendelijk? Rik en Maggy vertellen

26-07-2023

Op de foto: Maggy © Mark Cuvelier Iedereen wordt ouder. En vroeg of laat worden we allemaal geconfronteerd met zorgnoden. Soms bij onszelf, soms bij mensen uit onze nabije omgeving. En wanneer die zorgnoden er zijn, moeten we een beroep doen op bepaalde diensten. Blijven we thuis wonen en rekenen we op hulp van naasten? Kiezen we voor ondersteuning van een zorgmedewerker? Of verhuizen we naar een aangepaste woonvorm? Wij gingen in gesprek met Rik (75) en Maggy (75). Maggy is lesbisch, Rik identificeert zich als homo. Zij vertellen ons of het feit dat ze zich als LGBTQI+ identificeren, invloed heeft op hun keuzes wanneer zorgnoden toenemen. Maggy (75) schreef mee aan het manifest van de RainbowAmbassadors Maggy: “Ik ben co-voorzitster van de RainbowAmbassadors, een organisatie die LGBTQI+-senioren een gezicht en een stem geeft. Aangezien ik al sinds jaar en dag opkom voor de rechten van LGBTQI+-senioren, vind ik het belangrijk dat hun visie ook wordt meegenomen in de campagne ‘Bepaal je eigen verhaal’. LGBTQI+-personen maken 10% uit van de bevolking. Ook zij komen dus in aanraking met thuiszorgdiensten, zorginstellingen, lokale dienstencentra, woonzorgcentra en noem maar op. Ook met hun noden, wensen en behoeften moet er rekening gehouden worden.” Te weinig zichtbaarheid “Of er vandaag in het zorglandschap een taboe kleeft op homo- en transseksualiteit? Ja. Vroeger werd het ‘homo-zijn’ of ‘trans-zijn’ echt beschouwd als een ziekte. Veel ouderen dragen dat gevoel nog steeds met zich mee. En hoewel de samenleving ondertussen een pak positiever naar LGBTQI+-personen kijkt, zijn er weinig mensen die echt weten hoe ze op een gepaste manier met homo- en transseksualiteit om moeten gaan. En dat merk je ook in het zorglandschap. Er zijn weinig zorgmedewerkers die tijdens hun zorgopleiding over LGBTQI+-personen leerden. Zorgopleidingen gaan altijd uit van heteronormaliteit, maar dat is verkeerd. En daardoor tonen zorgmedewerkers vaak weinig belangstelling voor LGBTQI+-personen, simpelweg omdat die groep niet zichtbaar is. Dat zorgt ervoor dat mensen die zich als homo of trans identificeren, schrik hebben dat ze niet aanvaard zullen worden.” "Hoewel de samenleving ondertussen een pak positiever naar LGBTQI+-personen kijkt, zijn er weinig mensen die echt weten hoe ze op een gepaste manier met homo- en transseksualiteit om moeten gaan. En dat merk je ook in het zorglandschap." Maggy “Een voorbeeld. Meld ik mij ergens aan? Dan vragen zorgmedewerkers steevast of ik een man en (klein)kinderen heb. Waarom vragen ze niet gewoon naar mijn partner? Door die uitspraak, geven zorgmedewerkers LGBTQI+-personen onbewust het gevoel dat ze niet welkom zijn.” Weer in de kast kruipen “Ik hoop dat ik zolang mogelijk in mijn huidige woning zal kunnen blijven wonen. Mijn vriendin en ik hebben enkele aanpassingen gedaan, die het mogelijk maken om hier ook met zorgnoden te blijven. En mocht het ooit nodig zijn, dan verhuis ik naar een woonzorgcentrum. Schrik om naar een WZC te verhuizen heb ik niet, al zou ik mij wel goed informeren over het WZC waar ik terechtkom. Is het een WZC dat openstaat voor LGBTQI+-personen? Zou ik er aanvaard worden? Is het zorgpersoneel opgeleid over LGBTQI+-thema’s? Zo zijn er woonzorgcentra die rond IDAHOT (de Internationale Dag tegen Homofobie, Bifobie, Transfobie en Interseksfobie, red.) initiatieven opzetten. Of die dag aangrijpen om de bewoners over het thema in te lichten. Er zijn ook WZC die LGBTQI+-affiches ophangen, of een regenboogvlag uithangen. Door homo- en transseksualiteit op die manier zichtbaarheid te geven, voelen LGBTQI+-personen zich sneller op hun gemak. Ze weten dat ze welkom zijn en aanvaard zullen worden.” "Schrik om naar een WZC te verhuizen heb ik niet, al zou ik mij wel goed informeren over het WZC waar ik terechtkom. Zou ik er aanvaard worden?" Maggy “In andere woonzorgcentra wordt het thema doodgezwegen. Als directieleden er niet over durven praten, dan spreekt het personeel er ook niet over en bewoners bijgevolg ook niet. Ik ken enkele mensen die in een woonzorgcentrum wonen waar niemand over hun geaardheid wil of durft praten. Als LGBTQI+-persoon kruip je dan gewoon weer in de kast. Of je verhuist terug naar je vorige woning, ook al was die niet aangepast aan je zorgnoden. En ik ken mensen die homo of lesbisch zijn, maar waarbij hun partner niet op bezoek durft te komen in het woonzorgcentrum. En een moeder die een dochter heeft die lesbisch is, maar haar niet met haar partner durft te ontvangen in het woonzorgcentrum.” “LGBTQI+-personen kruipen trouwens niet enkel in WZC weer in de kast. Ook in lokale dienstencentra en andere ontmoetingsplekken durven LGBTQI+-personen vaak zichzelf niet zijn.” Fysieke en mentale gevolgen “Niet uit de kast durven komen, kan ook medische gevolgen hebben. Iemand die HIV heeft, moet medicatie nemen. Weet de zorgmedewerker of thuisverpleger niet dat iemand HIV heeft? Dan krijgt die persoon de juiste medicatie niet. En hetzelfde geldt voor transpersonen. Ook zij moeten dagelijks medicatie slikken.” “En ook mentaal kan het wegen op mensen als ze niet uit de kast durven komen. Zo belanden sommige ouderen in eenzaamheid, omdat ze geen sociale contacten durven leggen. Bijvoorbeeld met medebewoners in een woonzorgcentrum. Uit schrik dat ze niet aanvaard zullen worden. Om ook LGBTQI+-personen de kans te geven op oudere leeftijd een sociaal netwerk op te bouwen, zou het een meerwaarde zijn als lokale dienstencentra en woonzorgcentra bijvoorbeeld 3 à 4 keer per jaar een bijeenkomst zouden organiseren voor LGBTQI+-personen. Zo kunnen zij gelijkgezinden leren kennen en nieuwe vriendschappen sluiten. Durven ouderen niet uit de kast komen in hun dienstencentrum of woonzorgcentrum? Dan kunnen ze daarover praten op die bijeenkomst.” “Of een apart woonzorgcentrum voor LGBTQI+-personen een oplossing zou zijn? Voor mij niet. We hebben het recht om te wonen waar we willen en bij wie we willen. We willen vooral dat de samenleving openstaat voor LGBTQI+-personen en ons omarmt.” “Of een apart woonzorgcentrum voor LGBTQI+-personen een oplossing zou zijn? Voor mij niet. We hebben het recht om te wonen waar we willen en bij wie we willen." Maggy Dezelfde verzuchtingen “Ouder worden als LGBTQI+-persoon komt trouwens in grote lijnen overeen met ouder worden als heteropersoon. De verzuchtingen die hetero’s hebben? Die hebben wij ook. In de eerste plaats willen we natuurlijk allemaal kwalitatieve zorg krijgen. En net zoals heteropersonen missen we bijvoorbeeld koppelkamers in assistentiewoningen en woonzorgcentra. Waarom zijn er bijna nooit kamers met een dubbel bed? Of een snoezelruimte, waar je met je partner intiem kan zijn als je dat wenst? En we hechten ongeacht onze geaardheid allemaal belang aan privacy. We willen niet op een plek gaan wonen waar onze deur altijd openstaat, of waar iedereen zomaar binnen en buiten kan lopen.” Positieve evolutie “Of ik als LGBTQI+-persoon negatief kijk naar de toekomst van de ouderenzorg? Zeker niet. Er is een positieve evolutie aan de gang. RainbowAmbassadors heeft een manifest geschreven met punten waaraan een stad moet voldoen, om respect te tonen voor alle vormen van seksualiteit en geaardheid. Stad Gent heeft ons manifest ondertekend, en alle punten van ons manifest zijn afgevinkt. Alle Gentse woonzorgcentra en lokale dienstencentra hebben bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon, en alle medewerkers kregen een opleiding waarin ze met respect leerden omgaan met LGBTQI+-personen.” “Maar niet in elke stad of gemeente worden LGBTQI+-personen aanvaard. Terwijl het mentaal en fysiek welzijn van LGBTQI+-senioren een fundamenteel mensenrecht is. Het is aan de overheid om een duidelijk kader te integreren voor LGBTQI+-personen in de zorg. En er moeten controles komen die kijken of elke zorginstelling dat wettelijk kader goed toepast. Ook de opleidingen moeten veranderen. Elke zorgmedewerker moet al in zijn of haar opleiding in aanraking komen met homo- en transseksualiteit. Bovendien zou het fijn zijn als de minister van Welzijn ons manifest zou lezen. Dat omvat in één oogopslag alle vragen van de LGBTQI+-gemeenschap, en adviezen om de samenleving homo- en transvriendelijk te maken. Het is niet omdat niet alle LGBTQI+-personen de moed hebben om op tafel te kloppen, dat we niet serieus genomen moeten worden.” Naar het manifest van de RainbowAmbassadors Rik (75) denkt zelf na over zijn toekomst door zijn vrijwilligerswerk in de zorg Rik: “Ik ben vrijwilliger bij een palliatieve thuiszorgdienst, en kom dus veel met het thema zorg en met mensen met zorgnoden in aanraking. Daardoor denk ik ook soms na over mijn eigen toekomst. Ik woon nu nog zelfstandig, maar stel dat ik zorgnoden krijg? Zal ik hier dan kunnen blijven wonen?” Mix van generaties “Het feit dat ik mij als LGBTQI+ identificeer, beïnvloedt mijn huidige keuzes en mijn toekomstkeuzes niet. Net als heteromensen heb ik recht op goede zorg. Dat ik geen partner heb, beïnvloedt mijn keuze dan weer wel. Ik kan niet op een partner rekenen als ik beginnende zorgnoden heb. En aan een goede vriend of buur vragen om mij te wassen? Dat ga ik niet doen. Ik wil hen niet met zware zaken belasten. Daarom zal ik al snel een beroep moeten doen op een professionele thuiszorgdienst.” “Het feit dat ik mij als LGBTQI+ identificeer, beïnvloedt mijn huidige keuzes en mijn toekomstkeuzes niet. Net als heteromensen heb ik recht op goede zorg." Rik  “Als het moet, sta ik er ook voor open om te verhuizen. Een assistentiewoning spreekt mij bijvoorbeeld wel aan. Of een cohousingsinitiatief. En dan een liefst een initiatief waar ook jongere mensen wonen, zodat je met verschillende generaties in contact blijft staan. Verhuizen naar een woonzorgcentrum? Daar sta ik minder voor open. Net omdat je dan tussen allemaal leeftijdsgenoten woont.” Financiële zorgen “Wanneer je zorgbehoevend wordt, lopen de kosten al snel hoog op. Dat merk ik ook op mijn vrijwilligerswerk. Financieel maak ik mij dus wel zorgen. Met een gewoon pensioen kan je al die zorg- en ondersteuningsvormen niet betalen. Mocht ik zorgnoden krijgen, zou ik serieus aan levenscomfort moeten inboeten. Deelnemen aan activiteiten? Genieten van lekker eten? Op uitstap gaan? Dat kost allemaal geld. Geld dat ik niet meer zal hebben als ik zorgnoden zou krijgen.”  Opleiden van zorgmedewerkers “Of het zorglandschap vandaag LGBTQI+-vriendelijk is? Niet helemaal. Er is sowieso nog werk aan de winkel. Zorgmedewerkers hebben vandaag weinig kennis over homo- en transseksualiteit. En wanneer zorgmedewerkers niet openlijk over dit thema durven of kunnen praten – veelal uit onwetendheid –, dan durven LGBTQ+-ouderen dat ook niet. Uit schrik dat ze niet aanvaard zullen worden. Zorgmedewerkers opleidingen of vormingen geven, is voor mij dan ook de eerste stap naar een LGBTQI+-vriendelijk zorglandschap. Zorgmedewerkers moeten zich bewust zijn van de diversiteit in de maatschappij, en ze moeten met die diversiteit leren omgaan.” "Zorgmedewerkers opleidingen of vormingen geven, is voor mij de eerste stap naar een LGBTQI+-vriendelijk zorglandschap." Rik “Zelf heb ik nog weinig negatieve ervaringen gehad. Ik ben sterk genoeg en durf over mijn geaardheid spreken. Al besef ik wel dat negatieve reacties een effect kunnen hebben op mijn mentaal welzijn. En ook niet iedereen durft zoals ik met anderen in gesprek te gaan. En niet iedereen kan met negatieve reacties omgaan. Daarom kruipen sommige mensen op oudere leeftijd weer in de kast, om zichzelf te beschermen.” “Gelukkig merk ik dat – door openlijk over mijn geaardheid te babbelen – veel zorgmedewerkers wél openstaan voor de LGBTQI+-community. De meeste mensen aanvaarden ons, en hebben respect voor ons. Doordat ik de confrontatie met hen aanga over mijn geaardheid, verdwijnen hun vooroordelen. Dat helpt mij ook, want daardoor kan ik mijn eigenheid bewaren. Uiteindelijk ben ik in de eerste plaats gewoon een mens. En daarbij ook homo. Het is belangrijk dat de volledige samenleving ons zo leert zien.”

Jacques en Mariette hebben geen kinderen.
Blog

Jacques en Mariette hebben geen kinderen. Welke impact heeft dat op hun zorgwensen?

13-07-2023

Ouder worden zonder kinderen. Hoe is dat? Botsen koppels zonder kinderen op dezelfde drempels als koppels mét kinderen? En heeft de maatschappij voldoende aandacht voor het feit dat niet iedereen kinderen heeft? Wij vroegen het aan Jacques* (77) en Mariette* (75). Het koppel is al meer dan 50 jaar samen en heeft geen kinderen. Door een immuniteitsziekte kan Mariette geen kinderen krijgen. Vinden jullie het belangrijk om na te denken over de toekomst van de ouderenzorg? Jacques: “Ja. Ik vind dat er erg weinig ouderen hun mening durven te geven. Terwijl het toch over onze toekomst gaat. Want vroeg of laat krijgen we allemaal te maken met zorgnoden. Het is dan ook belangrijk dat de ouderenzorg is aangepast aan onze noden en wensen. De visie van Mariette en mezelf op het zorglandschap is trouwens anders dan de visie van vele anderen, omdat wij geen kinderen hebben. We beseffen al sinds de dag dat we een koppel zijn, dat we alles alleen zullen moeten doen. Natuurlijk hebben we een sociaal netwerk waarop we kunnen rekenen, maar we kunnen niet voor alles een beroep doen op buren en vrienden.” “Mariette en ik weten ook dat we niet eindeloos op elkaar zullen kunnen rekenen. We kennen bijvoorbeeld een koppel waarvan de vrouw ziek is. Zij steunt volledig op haar partner om haar te verzorgen. Wij willen dat niet. Wij willen rekenen op de instanties die alle nodige hulp kunnen bieden. Om elkaar veilig te stellen, hebben we ons testament al in orde gebracht. We maakten ook een Leifplan op met bijzondere aandacht voor de negatieve wilsverklaring. Recent hebben wij ook de zorgvolmacht aangemaakt.” "Om elkaar veilig te stellen, hebben we ons testament al in orde gebracht."Jacques Heeft het feit dat jullie geen kinderen hebben een grote invloed op jullie toekomst? Mariette: “Ja en nee. We zullen natuurlijk nooit bij onze kinderen kunnen gaan wonen, mochten we hulpbehoevend worden. Dat is een nadeel. Maar tegelijkertijd ken ik koppels mét kinderen, waarvan de kinderen bijvoorbeeld in het buitenland wonen. Ook zij kunnen niet of moeilijker op hun kinderen rekenen. Er zijn ook gezinnen waarbij ouders en kinderen geen goede verstandhouding hebben. En ik ken ook mensen waarbij de kinderen echt willen meebeslissen over de toekomst van hun ouders. Terwijl Jacques en ik vrij zijn om te doen wat we zélf willen.” "We zullen natuurlijk nooit bij onze kinderen kunnen gaan wonen, mochten we hulpbehoevend worden."Mariette Jacques: “Toen ik besefte dat Mariette en ik nooit kinderen zouden kunnen krijgen, vond ik dat moeilijk. Uiteraard is een leven zonder kinderen anders dan een leven met kinderen. Maar we zijn niet bij de pakken blijven zitten, en hebben snel aanvaard dat we voor altijd met ons tweeën zullen blijven. Moeder- en Vaderdag vieren wij niet. Verjaardagen en feestdagen zoals Kerstmis en Nieuwjaar vieren we met ons tweeën, in plaats van met de rest van de familie.” Hoe kijkt de samenleving naar mensen zonder kinderen? Jacques: “Of je nu 30 jaar bent of 75, de samenleving gaat er altijd vanuit dat je kinderen hebt. Hoe vaak krijgt een dertiger niet de vraag of hij/zij al denkt aan kinderen? En heb je geen kinderen? Dan word je al snel anders benaderd. Toen ik nog niet met pensioen was, hadden collega’s vaak de gewoonte om Mariette en mij te bestempelen als workaholics. En we kregen vaak de opmerking dat het (werk)leven voor ons gemakkelijk was, aangezien wij geen rekening moesten houden met kinderen. En op familiefeesten werden Mariette en ik enkel uitgenodigd om geschenken te geven, niet voor het gezelschap.” Mariette: “En toen we jonger waren, babbelden mensen met kinderen enorm veel over hun gezin. Jacques en ik voelden ons dan vaak het vijfde wiel aan de wagen, want we konden niet mee praten. En nu mensen van onze leeftijd kleinkinderen hebben, gaat het gesprek al snel over de kleinkinderen en voelen we ons weerom niet betrokken.” En het zorglandschap? Jacques: “Ook in de zorg wordt er vaak vanuit gegaan dat je kinderen hebt. Ben je financieel kwetsbaar? Dan verwachten zorginstanties al snel dat kinderen bijspringen. Of kan je na een ziekenhuisopname naar huis? Dan verwachten instanties dat kinderen de zorg voor hun ouders tijdelijk opvangen.” Mariette: “En dat klopt niet. Want of je nu wel of geen kinderen hebt, je hebt sowieso recht op goede zorg. Ik vind het trouwens ook niet normaal dat kinderen zich hele dagen moeten engageren om de zorg voor hun ouders op te nemen. Dat ouderen goede zorg krijgen, is de verantwoordelijkheid van zorgmedewerkers, en niet van familieleden. Maar omdat er te weinig zorgpersoneel is, wordt er al snel naar naasten gekeken om bepaalde zorgtaken op zich te nemen. Absurd.” "Ook in de zorg wordt er vaak vanuit gegaan dat je kinderen hebt."Jacques Jacques: “Het is niet de taak van familie om ervoor te zorgen dat iemand tijdig eet, verzorging krijgt en voldoende sociaal contact heeft. Dat moet dringend veranderen. Zorgmedewerkers moeten die taken op zich nemen, want anders worden ouderen zonder familie aan hun lot overgelaten. Maar dan moet er op beleidsniveau natuurlijk iets veranderen, zodat zorginstellingen meer personeel kunnen aannemen. En ook financieel is het niet de bedoeling dat kinderen bijspringen. Al begrijp ik dat dat soms nodig is, want de zorg van vandaag is enorm duur. Ook daar pleit ik dus voor verandering op beleidsniveau.”   *Jacques en Mariette zijn schuilnamen. De echte namen zijn gekend op de redactie.

Blog

De leden van de Kinrooise ouderenraad dachten samen na over de toekomst van de ouderenzorg

30-05-2023

© Fotodatabank Vlaamse Ouderenraad Omdat we met onze campagne ‘Bepaal je eigen verhaal’ zoveel mogelijk ouderen willen bereiken, roepen we lokale dienstencentra, ouderenraden, (ouderen)verenigingen, steden en gemeenten en andere organisaties op om denkmomenten te organiseren. Marijke Bosmans, seniorenconsulent in Kinrooi, pikte de oproep op en ging met onze leidraad aan de slag. Ze gaf alle leden van de Kinrooise ouderenraad de kans om aan het denkmoment deel te nemen. Zo’n tiental leden stemden toe om hun visie op de ouderenzorg te delen. Deelnemers Annie (71), Emiel (71) en Tilly (85) vertellen ons waarom het denkmoment voor hen zo waardevol was.   Waarom vonden jullie het belangrijk om aan het denkmoment deel te nemen? Annie, voorzitter van de seniorenraad: “Tijdens een vergadering stelde Marijke (Bosmans, seniorenconsulent, red.) ons de vraag om tijdens een denkmoment onze visie op de ouderenzorg te delen. Ik heb geen seconde getwijfeld en stelde mij direct kandidaat. Nooit eerder dacht ik echt na over de ouderenzorg. En ook in groep – bijvoorbeeld met de ouderenraad – deden we zoiets nog nooit. Daar eens aandacht aan besteden, vond ik belangrijk.” Emiel, ondervoorzitter van de seniorenraad: “Onze seniorenconsulente is altijd gedreven en enthousiast. Daardoor kan ze ons makkelijk warm maken voor projecten. (lacht) Dus ook ik was direct akkoord.” Annie: “De vergrijzing is volop aan de gang. Dat het zorglandschap moet aangepast worden aan de noden en behoeften van ouderen, staat dus buiten kijf. Dankzij het denkmoment hebben we zicht gekregen op de ouderenzorg van vandaag. Welk aanbod is er? Welke woonvormen bestaan er? Moeten we investeren in nieuwe woon- en ondersteuningsvormen?” "Dat het zorglandschap moet aangepast worden aan de noden en behoeften van ouderen, staat buiten kijf."Annie, deelnemer Tilly, lid van de seniorenraad: “De groep deelnemers was ook erg gevarieerd. Dat was een meerwaarde tijdens het denkmoment. Sommige deelnemers waren minder mobiel dan andere. Sommigen waren nog goed mee met de huidige technologie, anderen niet. Dat zorgde voor verschillende visies en meningen.” Kwamen er tijdens het denkmoment belangrijke bevindingen naar boven? Tilly: “De meeste ouderen hopen op thuishulp te kunnen rekenen. Maar het professionele zorgaanbod is vandaag volgens de deelnemers nog te beperkt. En omdat Kinrooi een landelijke gemeente is, zijn de vervoersmogelijkheden hier bijvoorbeeld niet zo talrijk. Met het openbaar vervoer raken thuiswonende ouderen hier nergens. Burenhulp kwam daardoor veel aan bod, want de band tussen buren is in Kinrooi erg sterk. De deelnemers rekenen op hun buren om voor hen naar de winkel te gaan, wanneer ze dat zelf niet meer zouden kunnen.” Annie: “Ook het financiële plaatje kwam ter sprake. Sommige deelnemers stonden er wel voor open om te verhuizen naar een woonzorgcentrum, maar ze kunnen dat simpelweg niet betalen. En ook thuiszorg is voor velen te duur.” Emiel: “Zaken als een zorgrobot of sensoren? Daar waren de meeste deelnemers twijfelachtig over. Vooral omdat technologie een negatieve connotatie heeft. Want de bankkantoren in Kinrooi verdwijnen bijvoorbeeld, waardoor sommigen niet meer aan bankbiljetten geraken. Alles moet tegenwoordig digitaal, en dan zorgt bij velen voor angst.” Annie: “Klopt. Maar ik sluit niet uit dat we daar ooit anders over zullen denken. We staan er nu nog niet voor te springen. Maar wie weet welke mogelijkheden technologie ons in de toekomst kan bieden, wanneer we zorgnoden krijgen?” Gaat de ouderenraad aan de slag met de input van het denkmoment? Annie: “Zeker. En het denkmoment heeft ook veel zaken bevestigd, die we eigenlijk al wisten. Zoals reeds gezegd, gaven veel ouderen aan dat ze in hun eigen woning ouder willen worden. En velen hechten belang aan burenhulp. De gemeente heeft al een waardevol project lopen dat daarop inzet. Met het project ‘Buurtgezellen’ bezoeken we thuiswonende 75-plussers, 80-plussers én 90-plussers. Tijdens die bezoeken gaan we in op hun noden en behoeften. Ook de nood aan thuiszorg komt daar dus aan bod. En dankzij die bezoekjes wordt het netwerk van thuiswonende ouderen aangesterkt. Het denkmoment toonde aan dat we dat project zeker moeten verderzetten. En Kinrooi profileert zich als dementievriendelijke gemeente, ook daar willen verder mee aan de slag. Er is hier ook een woonzorgcentrum dat ouderen met zware zorgnoden goed verzorgt.” Emiel: “Klopt. Het woonzorgcentrum in Kinrooi is echt een goed woonzorgcentrum. Mochten we ooit moeten verhuizen, dan is het wel fijn om te weten dat ons woonzorgcentrum veel doet voor de bewoners. Ook dat gaven de deelnemers aan: we worden het liefst ouder in onze eigen woning, maar als we moeten verhuizen zijn er veel goede alternatieven.” Annie: “Zo wonen er ook ouderen in kangoeroewoningen. En er zijn enkele cohousingsinitiatieven. Door het denkmoment heb ik over die alternatieve woonvormen nagedacht, en ik sta er wel voor open om ooit naar zo’n woning te verhuizen. Maar omdat tijdens het denkmoment bleek dat niet iedereen die woonvormen goed kent, suggereerde de seniorenconsulent om met de ouderenraad eens een cohousingsproject te bezoeken.” "Het is waardevol om mensen te laten praten en nadenken over de zorg."Tilly, deelnemer Zou je anderen aanraden om ook een denkmoment te organiseren? Tilly: “Ongetwijfeld. Zelfs al ga je als organisatie of raad niet met de input van het denkmoment aan de slag, het is waardevol om mensen te laten praten en nadenken over de zorg. En dankzij zo’n denkmoment laat je de mensen ook kennismaken met alle zorg- en ondersteuningsvormen die er zijn.” Emiel: “Ik vind het belangrijk dat er zowel ouderenraden uit een landelijke omgeving, als ouderenraden uit een stedelijke omgeving denkmomenten organiseren. Kinrooi is bijvoorbeeld een landelijke gemeente, dus de resultaten van ons denkmoment zullen niet te vergelijken zijn met de resultaten van een raad uit een stedelijke regio. De noden van de ouderen komen misschien wel overeen, maar de oplossingen zullen vermoedelijk verschillen. Dat kan interessante visies opleveren.” "Ik vind het belangrijk dat er zowel ouderenraden uit een landelijke als uit een stedelijke omgeving denkmomenten organiseren."Emiel, deelnemer Deelnemers Emiel en Tilly Organiseer ook een denkmoment Geprikkeld? En wil je net zoals de ouderenraad van Kinrooi zelf een denkmoment organiseren met je ouderenraad, dienstencentrum, vereniging, stad of gemeente? De Vlaamse Ouderenraad ontwikkelde een leidraad voor groepen, die je een houvast biedt tijdens het voorbereiden en begeleiden van een denkmoment. Alle informatie over het organiseren van een denkmoment, vind je hier.

Blog

LDC ADO Icarus doet ouderen stilstaan bij toekomstige zorg- en woonvormen

22-05-2023

Deelnemers Linda (links) en José (midden) en begeleider Niklas (rechts). Omdat we met onze campagne ‘Bepaal je eigen verhaal’ zoveel mogelijk ouderen willen bereiken, roepen we lokale dienstencentra, ouderenraden, (ouderen)verenigingen, steden en gemeenten en andere organisaties op om denkmomenten te organiseren. En die oproep ging niet onopgemerkt voorbij. Onder andere het Lokaal Dienstencentrum ADO Icarus in Neder-Over-Heembeek pikte onze vraag op en organiseerde recent zo’n denkmoment. Begeleider Niklas en deelnemers José (82) en Linda (71) vertellen ons graag hoe dat verliep en waarom het zo leerrijk was. Waarom vonden jullie het waardevol om mee jullie schouders te zetten onder de campagne? Niklas, begeleider: “In ons LDC werken er veel oudere vrijwilligers. Zowel zij als de bezoekers van ons LDC vinden het belangrijk dat er naar hen geluisterd wordt. Niet enkel op lokaal niveau, maar ook op beleidsniveau. Het denkmoment van de Vlaamse Ouderenraad leek de ideale manier om hun stem bij beleidsmakers te laten horen. Ik ben student maatschappelijk werk in het LDC en zag het wel zitten om het denkmoment te organiseren en te begeleiden. De leidraad die de Vlaamse Ouderenraad ontwierp ter ondersteuning, was een fantastisch hulpmiddel. Ik vond alle nodige informatie voor de begeleiding en ook veel tips & tricks om alles in goede banen te leiden. Ook het communicatiemateriaal – om over het denkmoment te communiceren – hebben we kunnen gebruiken.” "De bezoekers vinden het belangrijkdat er naar hen geluisterd wordt. Niet enkel op lokaal niveau,maar ook op beleidsniveau. Het denkmoment is de ideale manierom hun stem te laten horen." Niklas, begeleider “Deelnemers vinden was niet moeilijk. De vrijwilligers waren meteen enthousiast om aan het denkmoment te participeren. Maar door omstandigheden haakten er enkele deelnemers op het laatste moment af. Binnenkort organiseren we daarom een tweede denkmoment, om ook hen nog een kans te geven om hun visie over de ouderenzorg te delen.” Dachten jullie voor het denkmoment al veel na over de ouderenzorg? Linda, deelnemer: “Ik wel. Door een val op de bus ben ik binnen afzienbare tijd invalide. Ik krijg dus al hulp aan huis. Nadenken over hoe ik mijn zorg het best kan organiseren, doe ik dan ook geregeld. Zeker omdat ik hoop dat ik nog lang in mijn eigen woning zal kunnen blijven wonen, ook al heb ik zorgnoden. De ervaringen die ik nu al heb, heb ik meegenomen in het denkmoment.” José, deelnemer: “Ik ben al meer dan tien jaar vrijwilliger in LDC ADO Icarus. Ik kom dus met veel ouderen in contact en hoor veel verhalen. Daarnaast ben ik ook vrijwilliger bij ‘De Ziekenpastoraal’ in Neder-Over-Heembeek – waarvoor ik geregeld bij zieke mensen thuis langsga – en bij Accolage, een lokaal burenhulpnetwerk. Dat ik de verhalen van al die mensen kon meenemen in het denkmoment, vond ik erg waardevol. En door het denkmoment leerde ik mij ook inleven in de situaties van anderen. Wanneer ik nu op ziekenbezoek ga, kan ik situaties en signalen van mensen beter inschatten.”  "Ik kom met veel ouderen in contacten hoor veel verhalen. Die verhalen meenemen in het denkmoment, vond ik erg waardevol." José, 82 jaar “Mijn overleden zus had dementie, ook bij haar zorgverhaal was ik dus betrokken. Maar nadenken over mijn eigen toekomst, wanneer ik zorgnoden zou krijgen? Dat deed ik eigenlijk nooit. Dat het denkmoment mij liet nadenken over mijn eigen situatie, vind ik dan ook erg goed. Ik sta nu meer stil bij welke vormen van hulp er bestaan, en op welke vormen ik een beroep zou doen, mocht ik zorgbehoevend worden. Sinds het denkmoment ben ik mij ook veel meer bewust van wat er anders of beter kan.” Was de informatie die tijdens het denkmoment naar boven kwam waardevol voor het dienstencentrum zelf? Niklas: “Enorm. Uit het denkmoment bleek bijvoorbeeld dat er weinig ouderen zijn die weten welke vormen van hulp er bestaan. Daar willen we op inzetten, want als Lokaal Dienstencentrum is het onze job om de levenskwaliteit van ouderen te verhogen. Daarom nodigen we sinds het denkmoment vaak hulporganisaties uit om hun werking te komen toelichten in het dienstencentrum. Zo laten we mensen vroeger nadenken over hulpvormen, én zo leren ze ook organisaties en hulpvormen kennen.” “Daarnaast kenden de deelnemers weinig over alternatieve woonvormen. Na het denkmoment gingen we daarom met een groepje ouderen langs bij een cohousingproject in de buurt. Zo leren ze de woonvorm niet alleen kennen, ze zien ook meteen hoe het wonen, leven en zorg in die woonvorm eraan toegaat. Dat is een verrijkende ervaring die hen kan helpen om, wanneer het nodig is, keuzes te maken.” Organiseer ook een denkmoment Geprikkeld? En wil je net zoals LDC ADO Icarus zelf een denkmoment organiseren met je dienstencentrum, ouderenraad, vereniging, stad of gemeente? De Vlaamse Ouderenraad ontwikkelde een leidraad voor groepen, die je een houvast biedt tijdens het voorbereiden en begeleiden van een denkmoment. Alle informatie over het organiseren van een denkmoment, vind je hier.

Denkmoment Sankaa vzw
Blog

Sankaa vzw brengt diverse Brusselse ouderen samen tijdens denkmoment

11-05-2023

De campagne ‘Bepaal je eigen verhaal’ wil élke oudere betrekken in het debat over de toekomst van de ouderenzorg. Ook ouderen met een migratieachtergrond. Om hun stem te laten weerklinken in de campagne, kregen we de hulp van Sankaa vzw, een organisatie die verenigingen verbonden met de Afrikaanse gemeenschappen en verenigingen met een thematische werking overkoepelt. Sankaa bracht een aantal van haar leden samen tijdens een denkmoment met Brusselse senioren. Hoe dat verliep? Dat lees je hier!  Deelnemers engageren? Geen probleem.  De eerste stap wanneer je een denkmoment wilt organiseren? Deelnemers engageren. Maar die klus was voor Sankaa snel geklaard. “Veel ouderen uit ons netwerk gaven aan dat ze eerder al nadachten over ‘ouder worden’ en de ‘ouderenzorg’. Ze waren dan ook snel bereid om in groep mee na te denken over de toekomst van de ouderenzorg”, vertelt begeleider van het denkmoment Omar Nahas, educatief medewerker bij Sankaa vzw. Bovendien spreken de leden van Sankaa graag vanuit hun eigen ervaringen, en niet enkel via een vragenlijst. “De leidraad van de Vlaamse Ouderenraad biedt een perfecte mix van de twee."  “Veel ouderen uit ons netwerk gaven aandat ze eerder al nadachten over ‘ouder worden’ en de ‘ouderenzorg’.Ze waren dan ook snel bereidom in groep mee na te denken.” Omar Nahas, educatief medewerker bij Sankaa vzw Brunch & Talk  Het denkmoment werd onder de noemer ‘Brunch & talk’ gekoppeld aan een gezellige brunch. Dat zorgde voor een ontspannen sfeer. Edna Lamnte, onderzoekster bij Sankaa vzw, was ook aanwezig als begeleider. Zij vertaalde voor sommige deelnemers de vragen van het Nederlands naar het Engels. Want een deel van de aanwezigen was de Nederlandse taal niet machtig. “De taaldiversiteit zorgde voor grappige, aangename en leerrijke taferelen”, vertelt Nahas. “Zo wisten sommige aanwezigen niet wat een Kangoeroewoning was, en ook van een hulprobot hadden velen nog nooit gehoord. Daarbij vroegen sommigen zich af of een robot de menselijke warmte kan vervangen."   Brunch & Talk (© Sankaa vzw) Boeiende gesprekken dankzij de leidraad   Het denkmoment bracht belangrijke inzichten naar boven. “We ondervonden tijdens het gesprek dat eten en drinken uit de eigen cultuur heel belangrijk zijn. Niet enkel voor Afrikaanse gemeenschappen, maar voor verschillende culturele gemeenschappen”, zegt Nahas. “De deelnemers van het denkmoment zijn er bovendien van overtuigd dat het integreren van Afrikaanse ingrediënten in de keukens van woonzorgcentra, ook voor mensen zonder Afrikaanse achtergrond een verrijking zou zijn. Want Afrikanen drinken bijvoorbeeld specifieke drankjes om een hoge bloeddruk tegen te gaan en diabetes onder controle te houden.”  “Sommige deelnemers staan twijfelachtigtegenover een verhuis naar een woonzorgcentrum,anderen staan daar eventueel wel voor open.En het liefst van al is dat een woonzorgcentrum met een mix van culturen." Omar Nahas, educatief medewerker bij Sankaa vzw Maar niet enkel de typische keuken zorgde voor een interessant gesprek. Ook de vragen over toekomstige woonsituaties wakkerden boeiende gesprekken aan. “Sommige deelnemers staan twijfelachtig tegenover een verhuis naar een woonzorgcentrum, anderen staan daar eventueel wel voor open. En het liefst van al is dat een woonzorgcentrum met een mix van culturen. Een plek waar één culturele gemeenschap samenwoont, daar voelen de deelnemers niets voor. Voorwaarde is wel dat de bewoners naar het toilet mogen, wanneer zij dat willen. En de deelnemers willen geen vast dagprogramma, ze willen vrij kunnen zijn”, legt Nahas uit. “Maar ook thuiszorg via een professionele hulpverlener is voor veel deelnemers een optie. Net zoals vrijwilligers uit de buurt en uit hun eigen gemeenschap.”  © Sankaa vzw Aan de slag met de resultaten   “Voor de deelnemers was dit denkmoment erg waardevol”, benadrukt Nahas. “Dankzij dit initiatief worden ze zich meer bewust van het thema zorg, het belang van een goede ouderenzorg, en van welke mogelijkheden er allemaal zijn.”   “Dankzij dit initiatief worden de deelnemerszich meer bewust van het thema zorg,het belang van een goede ouderenzorg,en van welke mogelijkheden er allemaal zijn.”  Omar Nahas, educatief medewerker bij Sankaa vzw Of de resultaten van de test ook voor de medewerkers van Sankaa vzw nuttig zijn? “Echt wel”, zegt Nahas. “Er zijn veel waardevolle zaken naar boven gekomen. We gaan hier als organisatie zeker mee aan de slag.”  Organiseer ook een denkmoment Geprikkeld? En wil je net zoals Sankaa vzw zelf een denkmoment organiseren met je vereniging, stad, gemeente of ouderenraad? De Vlaamse Ouderenraad ontwikkelde een leidraad voor groepen, die je een houvast biedt tijdens het voorbereiden en begeleiden van een denkmoment. Alle informatie over het organiseren van een denkmoment, vind je hier. 

Blog

Rik en Fred pasten hun eigen woning aan

10-05-2023

Uit cijfers blijkt dat 5% van de 65-plussers in een woonzorgcentrum woont. 95% van de ouderen woont dus in een eigen huis, een assistentiewoning, een cohousinginitiatief, een kangoeroewoning of een zorgwoning. Belangrijk is dan natuurlijk dat de woning is aangepast aan de veranderende noden en behoeften van de oudere bewoner. Wie minder mobiel wordt, heeft het bijvoorbeeld moeilijk met trappen of drempels in de woning. Voor anderen wordt het moeilijk om een bad in te stappen.   Daarom kiezen sommige ouderen ervoor om hun eigen woning tijdig aan te passen. Bijvoorbeeld door een traplift te installeren of door het bad te vervangen door een inloopdouche. Anderen beslissen dan weer om hun woning te verkopen, en te investeren in een toegankelijke manier van wonen.   De Vlaamse Ouderenraad ging in gesprek met Rik (73) en Fred (68). Allebei dachten ze tijdig na over de plek waar ze ouder willen worden. Rik (73) liet zijn woning ombouwen tot een cohousinginitiatief  Ouder worden in een gezinswoning met veel te veel slaapkamers en een badkamer op de eerste verdieping? Rik en zijn vrouw vonden het maar niks. Daarom beslisten ze om hun woning te laten verbouwen tot een cohousinginitiatief. Hun woning kan nu bewoond worden door henzelf, én door twee extra gezinnen.   Rik: “Mijn vrouw en ik wonen al meer dan 40 jaar in Diegem, een dorp in Vlaams-Brabant. We woonden in een halfopen rijwoning van een witloofboer, met veel bergruimte en zelfs een schuur en aanpalende stalling. Een plek die met andere woorden veel te groot was geworden. Daarom stelden we onszelf een tijdje geleden de vraag: blijven we hier wonen, of verkopen we ons huis en gaan we elders wonen?”  Cohousing met drie woningen  “Enkele jaren geleden verbouwden we al een deel van ons huis tot een aparte woning, waar er een jong gezin introk. Op al die jaren was dat gezin echt familie van ons geworden. Als we ons huis zouden verkopen, zouden ook zij moeten verhuizen, want zij huurden bij ons. En we konden het goed met elkaar vinden, dus we kregen al snel het idee om onze woning tot een echt cohousinginitiatief te verbouwen. Het woongedeelte van het gezin werd groter gemaakt én vernieuwd. Bovendien was er voldoende plaats voor een derde wooneenheid, een gemeenschappelijke speel-en werkruimte en logiesruimte voor gasten. En wij? Wij verbouwden onze eigen eenheid tot een gezellige gelijkvloerse woning, zonder trappen en een nieuwe badkamer met inloopdouche.”  "Wij verbouwden onze eigen eenheid tot een gezellige gelijkvloerse woning, zonder trappen en een nieuwe badkamer met inloopdouche" Rik, 73 jaar “Onze woning en dat van het gezin dat al bij ons woonde is al klaar. Maar de werken aan de derde wooneenheid en aan de gemeenschappelijke ruimtes zijn momenteel nog bezig. We hopen dat het nu snel vooruit gaat, zodat er spoedig nog een gezin zal kunnen intrekken.”  Gemeenschappelijke ruimtes  “De drie woningen hebben elk een aparte voordeur en slaapkamers, en een aparte badkamer, keuken en woonruimte. Maar tussen de drie woningen bevindt er zich een gemeenschappelijke ruimte. Daar staat nu al een kickertafel, waar de kinderen zich op kunnen uitleven. De ruimte is echt bedoeld voor gemeenschappelijke activiteiten, maar hij kan ook gebruikt worden voor privéfeestjes. Aansluitend op de gemeenschappelijke ruimte, is er ook een garage die door ons allemaal wordt gebruikt. En boven onze gelijkvloerse woning is er een gemeenschappelijke logiesruimte met twee slaapkamers en een badkamer.”  “Dankzij de renovatiewerken, kan ik zorgeloos uitkijken naar de toekomst. Zowel mijn vrouw als ik hopen dat we hier lang zullen kunnen blijven wonen. Als we ooit zorgnoden krijgen? Dan rekenen we op thuiszorg. Want we zijn ervan overtuigd dat dat als aanvulling op een aangepaste woning, perfect kan werken.”  Netwerk vlakbij  “Dat we binnenkort cohousen met twee andere gezinnen, stelt ons ook gerust.  Natuurlijk lopen we de deuren niet bij elkaar plat, we hebben elk ons eigen leven, maar we zullen niet alleen oud worden. Mocht er iets zijn, dan kunnen we altijd op hen rekenen. Ook dat is belangrijk, wanneer je hoopt ouder te worden in je eigen woning: ervoor zorgen dat je een netwerk hebt vlakbij. We kunnen trouwens niet enkel op onze huisgenoten rekenen. Ook de familie van het gezin dat bij ons woont, draagt ons op handen. Zij hebben een migratieachtergrond en hangen erg sterk aan elkaar. En ze zien ons ondertussen ook als familieleden.”  “Daarenboven hebben we ook nagedacht of we de locatie van ons wooninitiatief goed vinden. In onze eigen wijk is er niks, maar we kunnen wel naar alle basisvoorzieningen fietsen. Er passeren hier trouwens ook ongelooflijk veel bussen die we kunnen nemen naar winkels, dokters, tandartsen en noem maar op. Een vervoersoptie waar we al gretig gebruik van hebben leren maken. Mochten we ooit minder mobiel worden, is het openbaar vervoer dus zeker een eerste redplank. Zonder die optie, zouden we er misschien niet voor gekozen hebben om hier te blijven wonen.”  Juridische problemen  “De enige zorg die we momenteel nog hebben? De juridische kant van het verhaal. De gemeente heeft - na een lang aanvraagtraject - een bouwvergunning voor ons cohousingproject uitgereikt. Daarbij werden ons een aantal strikte voorwaarden opgelegd. Omdat de gemeente niet zo bekend is met soortgelijke projecten, hebben we ons woonproject tal van keren opnieuw moeten aantonen en verdedigen.”  “We zouden van onze cohousing nu graag een coöperatief woonproject maken (een woonvorm waarbij bewoners investeren in aandelen en zo mee eigenaar worden van een woning, red.). We willen niet dat wij alleen eigenaar blijven van de woning, en dat de gezinnen bij ons huren. We willen dat de gezinnen volwaardig kunnen participeren. Want wat met hun woonzekerheid als wij er niet meer zijn? Het gezin dat al bij ons woonde, heeft bijvoorbeeld zelf een nieuwe keuken bekostigd. Het is dus maar logisch dat ze zelf mede-eigenaar zouden kunnen worden. We zijn dat plan volledig aan het onderzoeken, maar stellen vast dat er nog een lange (juridische) weg afgelegd moet worden, mocht het beleid woonalternatieven echt willen stimuleren.”  Fred (68) installeerde een traplift in zijn eigen woning  De aanpassingen die Fred in zijn woning liet uitvoeren, hadden een belangrijke reden. Dertig jaar geleden kreeg hij namelijk de diagnose ‘neuropathie’. Een neurologische stoornis die als gevolg van zenuwbeschadiging leidt tot chronische pijn. Fred voelt zich vaak ziek, en ook zijn mobiliteit nam de laatste jaren sterk af. Daarom beslisten hij en zijn vrouw om enkele aanpassingen door te voeren in de woning.    Fred: “Ik woon al meer dan dertig jaar in een rijhuis in Ekeren. Een ruime woning, waarin ook mijn kinderen zijn opgegroeid. Helaas was de woning niet zo toegankelijk voor minder mobiele mensen. Wilde ik naar mijn slaapkamer of naar mijn kelder? Dan moest ik telkens trappen doen. Toen ik zo’n tien jaar geleden een serieuze val maakte van de trap, opende dat mijn ogen: mijn woning was niet meer veilig voor mij. Dus beslisten we om twee trapliften te installeren. Eentje die mij van het gelijkvloers tot de zolder brengt, en eentje waarmee ik naar de kelder kan.”  Thuiszorgondersteuning  “Maar niet alleen de trappen in de woning vormden een probleem. Ook mijn badkamer was niet toegankelijk. Dus we lieten een ruime inloopdouche installeren. En omdat onze vloer op het gelijkvloers veel drempels had, lieten we die uitbreken en een betonnen gietvloer leggen. De vloer is nu volledig vlak, waardoor ik minder struikel. Ik verplaats mij buitenshuis trouwens al jaren met een seniorenscooter. Ook de deur naar de garage hebben we laten verbreden, waardoor ik er met mijn scooter makkelijk in en uit kan. En ook de tuin is heraangelegd, zodat er geen drempels meer zijn.”  “Door mijn neuropathie kan ik niet alles meer zelf doen. Ik ben snel moe en ik kan mij niet goed meer verplaatsen. Daarom gebruik ik in huis een rollator. En enkele keren per week komt thuiszorg langs om mij helpen tijdens het douchen. Verder heb ik het geluk dat ik mijn vrouw nog heb, zij kan mij helpen waar nodig. En mijn dochter is ergotherapeut. Ook op haar kan ik dus rekenen.”  "Als het ooit moet, dan verhuis ik naar een plek waar ik uitgebreidere zorg kan krijgen" Fred, 68 jaar Ooit verhuizen  “Of ik hoop dat ik dankzij die aanpassingen en thuiszorg nog lang in mijn huidige woning kan blijven wonen? Ja. Maar ik ben ook realistisch. Ik ben zwaar ziek, en als mijn toestand erop achteruit zou gaan, dan zal ik waarschijnlijk moeten verhuizen. Hier in de buurt zijn er bijvoorbeeld weinig basisvoorzieningen. Ik ga nu naar de supermarkt met mijn scooter, maar stel dat dat ook niet meer lukt? De bus nemen kan ik niet, want ik heb geen stabiliteit meer. Als het ooit moet, dan verhuis ik naar een assistentiewoning of een woonzorgcentrum, waar ik uitgebreidere zorg kan krijgen. Daarover piekeren doe ik niet, ik zal mij daar ook wel thuis voelen, zeker?”  Gebrek aan terugbetalingen  “Ik ben dankbaar dat ik alle aanpassingen in mijn woning heb kunnen doen, waardoor ik nu een comfortabel leven leid. Zowel mijn traplift als de aanpassingen in de badkamer werden door het VAPH terugbetaald, het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap dat budgetten en tegemoetkomingen toekent.”  “Weet je waar ik wél van wakker lig? Alleen mensen met een handicap hebben recht op die tegemoetkomingen en terugbetalingen. Ouderen niet. Ben je 65-plus en neemt je mobiliteit af? Dan moet je zelf voor alle kosten opdraaien. Maar ook 65-plussers moeten het recht hebben op het installeren van een traplift of het plaatsen van een inloopdouche. Zonder tegemoetkoming, zijn die aanpassingen bijna onbetaalbaar.”  (Foto: de woning van Rik, die wordt verbouwd tot een cohousingproject) Ook Pierre (76), Jos (78) en Kathleen (71) dachten tijdig na over later en kozen voor een verhuis. Je vindt hun getuigenissen hier.  

Blog

Pierre, Jos en Kathleen dachten vroeger na over later en verhuisden

09-05-2023

© Jos Thorrez Uit cijfers blijkt dat 5% van de 65-plussers in een woonzorgcentrum woont. 95% van de ouderen woont dus in een eigen huis, een assistentiewoning, een cohousingsinitiatief, een kangoeroewoning of een zorgwoning. Belangrijk is dan natuurlijk dat de woning is aangepast aan de veranderende noden en behoeften van de oudere bewoner. Wie minder mobiel wordt, heeft het bijvoorbeeld moeilijk met trappen of drempels in de woning. Voor anderen wordt het moeilijk om een bad in te stappen.   Daarom kiezen sommige ouderen ervoor om hun eigen woning tijdig aan te passen. Bijvoorbeeld door een traplift te installeren of door het bad te vervangen door een inloopdouche. Anderen beslissen dan weer om hun woning te verkopen, en te investeren in een toegankelijke manier van wonen.   De Vlaamse Ouderenraad ging in gesprek met Pierre (76), Jos (78) en Kathleen (71). Alle drie dachten ze tijdig na over de plek waar ze ouder willen worden.   Pierre (76) verhuisde van een huis naar een appartement  Pierre woonde lang in een gezinswoning aan de rand van Hasselt. Er waren voldoende voorzieningen op fietsafstand, en het huis onderhouden lukte nog prima. Toch besloten Pierre en zijn vrouw drie jaar geleden om te verhuizen naar een appartement in het centrum van Hasselt. Ze voelden dat hun mobiliteit erop achteruitging, en ze wilden niet meer afhankelijk zijn van de fiets.   Pierre: “Op het moment dat mijn vrouw en ik besloten om te verhuizen, voelden we ons fysiek nog perfect in staat om onze woning te onderhouden. En ook naar de winkels in de buurt fietsen, was geen probleem. Maar ik vond het gevaarlijk om op onze fiets te blijven vertrouwen. Want wat als onze gezondheid het plots niet meer zou toelaten? Daarom beslisten we om een appartement te kopen in het centrum van Hasselt. Bakkers, slagers, huisartsen, kledingwinkels, tandartspraktijken… Alles is nu op wandelafstand.”  Een groene omgeving  “Of ik er moeite mee had om te verhuizen? Nee, eigenlijk niet. De woning waar we woonden, was een huurwoning. Onze gezinswoning in de binnenstad hadden we 12 jaar daarvoor al verkocht. En de huurwoning op de rand van de stad zou op termijn sowieso problemen opleveren als we ons naar basisvoorzieningen zouden willen verplaatsen. Het appartement waar we nu wonen, heeft trouwens een groot, groen dakterras. Daardoor heb ik niet het gevoel dat ik in de stad woon. Ik kan nog naar buiten gaan en genieten van de natuur. En ons appartement is ruim. We hebben twee slaapkamers, een badkamer met inloopdouche, een keuken en een living. Natuurlijk is onze ruimte een pak beperkter dan in onze gezinswoning. Dat is aanpassen. Maar het appartement is groot genoeg voor ons tweeën.”  "We zijn verhuisd op een moment dat we nog goed in ons vel zaten" Pierre, 76 jaar “We gaan ervan uit dat we hier nog lang samen zullen kunnen wonen. De kinderen wonen trouwens in de buurt. Mochten we ooit hulpbehoevend worden, kunnen we ongetwijfeld op hen rekenen. En ook onze vrienden en kennissen wonen allemaal vlakbij. Dat is een voordeel aan in de stad wonen: iedereen kan hier makkelijk langskomen. En natuurlijk zijn er genoeg hulpinstanties in de buurt, waarop we een beroep kunnen doen mocht het nodig zijn.”  Belang van grote ruimtes  “Ik ben zeer tevreden dat we de stap hebben gezet. We zijn verhuisd op een moment dat we nog goed in ons vel zaten. We voelen ons nog gezond en jong. Verhuizen op een moment dat ik al tal van zorgnoden heb? Dat zou ik niet meer zien zitten. Doordat we onze eerste gezinswoning verkocht hebben, hebben we het trouwens ook op financieel vlak nooit moeilijk gehad.”  “Toch vind ik dat de overheid ervoor moet zorgen dat ook mensen die op de rand van een stad wonen, makkelijk naar alle voorzieningen kunnen. Door bijvoorbeeld extra te investeren in het openbaar vervoer en andere vervoersopties. Ik vind bovendien dat nieuwbouwwoningen meteen toegankelijk gemaakt moeten worden. Ons appartement had bijvoorbeeld een ligbad, wij hebben er zelf voor gekozen om dat te vervangen door een inloopdouche. En de inkom van ons appartement heeft een drempel. Als mijn vrouw of ik ooit een rolstoel nodig hebben, zullen we die drempel moeten wegwerken. Daarnaast moet er ook meer aandacht zijn voor groen in en rond woningen. Mocht mijn appartement geen ruim dakterras hebben? Dan had ik het nooit gekocht!”  Jos (78) liet een bungalow bouwen in zijn eigen tuin  Negen jaar geleden besliste Jos om een bungalow te laten bouwen – een woning met alleen een benedenverdieping. Het huis waar hij en zijn vrouw woonden was veel te groot, en de slaap- en badkamer bevonden zich op de bovenverdieping. En omdat ze een grote tuin hadden, beslisten ze om de nieuwe woning daar te plaatsen.    Jos: “Mijn vrouw en ik waren gelukkig in ons huis in Rotselaar. Maar negen jaar geleden werd het tijd om onze oubollige badkamer te verbouwen. Alleen: de bouwwerken zouden zo ingrijpend zijn, dat we begonnen te twijfelen over het nut ervan. Ons huis was erg onpraktisch ingedeeld. Voor elke verplaatsing in huis, moesten we minstens drie trappen doen. Ook mijn schoonvader van 99 jaar, die in een rolstoel zat, kon zich amper nog verplaatsen in onze woning. Wilden we hier wel oud worden?”  Bouwen in eigen tuin  “Eén van onze kinderen suggereerde om een nieuw huis te laten bouwen. In onze eigen tuin, want enkele jaren daarvoor hadden we een extra stuk grond naast onze woning kunnen kopen. Zo gezegd, zo gedaan. De nieuwe woning is een bungalow en volledig aangepast aan onze veranderende noden. De deuren zijn allemaal rolstoeltoegankelijk, we hebben een inloopdouche en nergens drempels. Bovendien hebben we nu ook een warmtepomp, waar we amper onderhoud aan hebben. Een groot verschil met onze vorige woning, want daar verwarmden we nog met stookolie.”  "De nieuwe woning is een bungalow en volledig aangepast aan onze veranderende noden" Jos, 78 jaar “Onze bungalow is energiezuinig, en daardoor kregen we vijf jaar lang een halvering van de onroerende voorheffing. Dat wil zeggen dat onze jaarlijkse belasting een pak lager was dan vroeger. We hadden een goed contact met onze architect, en hij heeft ons geholpen met het in orde brengen van onze papieren. Binnenkort laten we nog zonnepanelen plaatsen, om onze energiefactuur te drukken. En onze vorige woning? Die hebben we verkocht. De stukken grond waren opgedeeld in twee kavels, en hebben dus een apart huisnummer.”  Meer comfort, weinig onderhoud  “We hebben ooit getwijfeld om een appartement te kopen in het centrum van Leuven, maar dat zou voor ons een duurdere keuze geweest zijn én we wonen hier erg graag. Onze kinderen en kleinkinderen wonen in de buurt en komen regelmatig langs. En we hebben alle voorzieningen in de buurt. Ik kan te voet naar de huisarts gaan, en alle winkels zijn bereikbaar met de fiets. En wanneer fietsen niet meer zou lukken? Dan kan ik mij verplaatsen met het openbaar vervoer. Elk half uur passeert hier vlakbij een bus”  “Ik ben blij dat we enkele jaren geleden deze stap gezet hebben. Onze woning is voorzien van alle comfort, én makkelijk te onderhouden. Sinds we verhuisd zijn, heb ik veel minder zorgen. Het enige minpuntje? We hebben nog steeds een vrij grote tuin, die veel onderhoud vraagt. Mijn vrouw maakt zich daar zorgen over. Ikzelf zie voorlopig geen probleem. Ik vind het heerlijk om te werken in mijn kruidentuin, en haal daar enorm veel energie uit. En wanneer ik bezig ben in de tuin, stoppen voorbijgangers vaak om een babbeltje te maken. Ook daar geniet ik van.”  Kathleen (71) verbouwde een rijwoning in de stad   Toen ze 60 werd, beslisten Kathleen en haar partner om te verhuizen. Ze verlieten hun woning aan de rand van Ieper, en verhuisden naar het centrum. De enige voorwaarde voor de nieuwe woning? Er moest veel groen in de omgeving zijn.    Kathleen: “Ik ben vroeg gestart met na te denken over later. Ik werkte in de thuisverpleging, en ik kwam vaak bij mensen thuis die de moed niet meer hadden om te verhuizen. Ook al woonden ze in een volledig onaangepaste woning. Dat ik op tijd ging verhuizen, stond dan ook buiten kijf. Ik wilde graag in Ieper blijven, want ik ben actief in tal van verenigingen en organisaties. Mijn vrijetijdsbesteding wilde ik niet stopzetten.”   Zomeravonden in de tuin   “Mijn nieuwe woning bevindt zich in het centrum van de stad. Ik ben dus in mijn vertrouwde omgeving gebleven, én ik vind alle basisvoorzieningen op slechts 100 meter van mijn deur. Ik wilde ook in een rijhuis wonen, omwille van het gevoel van veiligheid. Doe ik mijn rolluiken een dag niet omhoog? Dan zullen mijn buren onmiddellijk komen vragen of er iets is. En ik moet mijn huis minder verwarmen, want ik profiteer mee van de warmte van mijn buren.”   "Ik ben in mijn vertrouwde omgeving gebleven, én ik vind alle basisvoorzieningen vlakbij" Kathleen, 71 jaar “Ik woon dan misschien in het centrum, toch heb ik nog veel groen rondom mij. Mijn huis heeft een gezellige tuin, waar ik op zomeravonden vleermuizen spot en geniet van een glaasje wijn. Ik woon ook vlak bij een wandelpad, dat je volledig rond de stad laat wandelen.”   Inloopdouche en huislift   “Twintig jaar geleden was ik slachtoffer van een arbeidsongeval. Sindsdien zit ik in een rolwagen. Toch hebben mijn man en ik er opnieuw voor gekozen om een huis met verdiepingen te kopen, want we hechten veel belang aan ruimte. De nieuwe woning werd bij de vorige bewoners verwoest door een brand. We moesten de woning dus volledig verbouwen. Daardoor hadden we wel carte blanche, en konden we alle aanpassingen doorvoeren die we wilden. We hebben bijvoorbeeld een huislift geïnstalleerd, waardoor ik moeiteloos met mijn rolwagen naar boven kan. Ook onze badkamer is ruim, en we hebben een bad met handgrepen én een inloopdouche.”   “Andere vormen van ondersteuning heb ik voorlopig nog niet nodig. Mijn partner kan mij helpen waar nodig, en verder probeer ik zoveel mogelijk zelfstandig te doen. Ik word niet graag geholpen (lacht).”   Recht op tegemoetkomingen   “Omdat ik invalide ben door een arbeidsongeval, heb ik het geluk dat mijn verzekeringsmaatschappij de aanpassingen in mijn woning heeft vergoed. En dankzij mijn verzekering heb ik ook een aangepaste wagen kunnen kopen. Ook via het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap kon ik enkele tegemoetkomingen krijgen. Andere mensen hebben dat geluk niet, en moeten zelf voor alle kosten opdraaien. Want wist je dat je enkel een tegemoetkoming kan vragen aan het VAPH, wanneer je bij je eerste ondersteuningsvraag jonger bent dan 65 jaar? Heel veel mensen vallen daardoor uit de boot.”       (Foto's: het groene dakterras van Pierre z'n appartement (foto links) - links Jos z'n vroegere woning, rechts de bungalow waar hij nu woont (foto midden) - de huislift van Kathleen (foto rechts)) Ook Rik (73) en Fred (68) dachten tijdig na over later en maakten hun woning toegankelijk. Je vindt hun getuigenissen hier.  

campagnebeeld
Nieuws

Vlaamse Ouderenraad geeft ouderen een megafoon

09-03-2023

De ouderenzorg strookt vaak niet met die waar ouderen op hopen. Met de campagne 'Bepaal je eigen verhaal' geeft de Vlaamse Ouderenraad de huidige en toekomstige generatie gebruikers van de ouderenzorg een megafoon. "Want zij moéten een stem krijgen in dit debat", klinkt het. Bepaal je eigen verhaal.Doe mee aan het debat over de toekomst van de ouderenzorg. Ouderen voelen zich niet gehoord Vroeg of laat worden we allemaal geconfronteerd met de nood aan zorg. Soms bij onszelf, soms bij mensen die we graag zien. "Maar de ouderenzorg sluit de dag van vandaag onvoldoende aan bij hoe zestigplussers hun levensverhaal voor ogen hebben." Dat moet anders volgens de Vlaamse Ouderenraad: "De ouderenzorg moet hertekend worden. En dat moet gebeuren, samen met de mensen waar het om gaat." "Ouderen willen zelf hun stem laten horen", stelt Nils Vandenweghe, directeur van de Vlaamse Ouderenraad. "Ze voelen zich op dit moment niet gehoord en hebben het gevoel dat er boven hun hoofd beslissingen genomen worden over hun eigen toekomst. Ze willen hun identiteit en 'eigen ik' behouden, ook wanneer er zorgnoden opduiken. Wij geven hen daarom een megafoon. Dit is hún campagne", klinkt het. "Als thuisverpleegster probeerde iker steeds op te letten dat ik patiëntenniet betuttelde of beslissingen nam boven hun hoofd.Maar nu ik zelf zorg nodig heb, merk ikdat er vaak geen gesprek aangegaan wordten men in mijn plaats keuzes maakt."Kathleen, 71 jaar Doe mee: Digitaal én live, alleen of in groep De Vlaamse Ouderenraad lanceert vandaag www.bepaaljeverhaal.be. Die website is het centrale platform van de campagne. Ouderen kunnen er een vragenlijst invullen om hun eigen verwachtingen mee te geven. "Hoe staan zij bijvoorbeeld tegenover hulp vragen aan hun kinderen, of aan hun buren? Wat denken ze van zorgrobots en andere zorgtechnologie in hun leven? En er wordt veel gesproken over cohousen met generatiegenoten, maar hoe kijken zij daar zelf naar?" De campagnewebsite bevat bovendien een ideeënmuur waar ouderen zelf heel concrete voorstellen kunnen doen die de verandering in gang kunnen zetten. Maar er is meer. Ook organisaties, zoals ouderenverenigingen, lokale dienstencentra en ouderenraden kunnen meedoen. Zij kunnen hun eigen denkmomenten organiseren. "Tijdens denkmomenten gaan kleine groepjes ouderen samen in gesprek over prangende vragen over de ouderenzorg. Elke vereniging, ouderenraad, middenveldorganisatie, stad of gemeente kan zo'n moment organiseren. We hebben er een methodiek voor ontwikkeld die vrij te downloaden is op onze campagnewebsite. En door een handig communicatiepakket kan je je eigen denkmoment promoten", aldus de Ouderenraad. Geen luchtkastelen "Deze campagne moet dingen in beweging zetten. We willen geen luchtkastelen bouwen", klinkt Vandenweghe overtuigd. "Doorheen de campagne laten we daarom spraakmakende stemmen uit de sector en het beleid inpikken op de verwachtingen en ideeën van ouderen. Dat doen we in blogartikels op de campagnewebsite. Die botsing of bekrachtiging van ideeën moet zorgen voor een onderbouwde visie op de toekomst van de ouderenzorg. Eén die wél tegemoetkomt aan de verwachtingen en wensen van ouderen." "We sporen beleidsmakers aan om niet bij de pakken te blijven zitten en actie te ondernemen", voegt Vandenweghe nog toe. "In een visienota zullen concrete beleidsvoorstellen staan met het oog op de verkiezingen van 2024."   De campagne krijgt de steun van de Koning Boudewijnstichting.