Skip to main content
home-page
Deel op facebook
Deel op twitter
home-page
Deel op facebook
Deel op twitter

We ontvingen 13 opiniestukken.

Lees ze hier

Er werden bijna 3000 ideeën ingezonden.

Bekijk de ideeënmuur

We deden een tiental individuele gesprekken.

Naar de blog

“Het aanbod alternatieve woonvormen is te klein voor de groeiende vraag van een steeds diverser wordende ouderenpopulatie”

20-12-2023

‘Senioren gaan samen op kot’ of ‘Drie generaties onder één dak’ zijn krantenkoppen die steeds vaker verschijnen. Nieuwe woonvormen voor ouderen zijn in trek, het thema leeft. Toch is het deel ouderen dat ervoor kiest nog eerder beperkt. Wat begrijpen we onder deze woonvormen? Waarom zouden we hiervoor kiezen als we ouder worden? En waarom krijgen ze moeilijk voet aan de grond? An-Sofie Smetcoren is professor aan de Vrije Universiteit Brussel. Binnen de groep Society and Ageing Research Lab leidt ze verschillende projecten binnen de onderzoekslijn ‘Wonen en woonomgeving’. Ze doctoreerde in 2016 op het thema ‘ouderen en wonen’ en ook vandaag blijft dat de kern van haar onderzoek. In dit opiniestuk vertelt ze waarom alternatieve woonvormen een goede aanvulling vormen op het bestaande woonpartrimonium, en welke drempels er nog zijn ondanks de groeiende interesse. Breed scala aan alternatieve woonvormen Afgelopen jaren merkten we een groeiende aandacht voor alternatieve woonvormen. Zowel in de samenleving, in de media als in internationaal onderzoek. Maar het blijft een wirwar van benamingen waarover best nog veel onduidelijkheid bestaat. Ook al doen organisaties zoals bijvoorbeeld Samenhuizen vzw pogingen om daar klaarheid in te scheppen. Kortweg ligt bij dergelijke woonvormen de focus eerder op het zelfstandig wonen dan op het zorgaspect, zoals we dat kennen binnen een woonzorgcentrum of assistentiewoning. Daarnaast is in veel gevallen ook een collectieve component aanwezig en spreken we eerder van gemeenschappelijk wonen. De meest bekende benaming is misschien wel cohousing en verwijst naar een woonvorm waar bewoners naast hun privéruimte ook bepaalde leefruimtes delen. Zo is er in deze woonvorm vaak een gedeelde keuken en woonruimte aanwezig waar bewoners enkele keren per week afspreken om samen te eten. Gelijkaardig is co-wonen. Het verschil is dat bewoners in deze woonvorm geen ‘leef’ maar eerder praktische ruimtes delen, zoals een tuin, wasruimte, werkatelier enzovoort. Zowel binnen cohousing als co-wonen worden de gedeelde ruimtes op die manier georganiseerd dat spontane interactie tussen de bewoners mogelijk wordt. De bedoeling is echt om een gemeenschap te vormen onder de bewoners: elkaar ontmoeten, leren kennen, samen activiteiten ondernemen en mogelijks elkaar uiteindelijk ook ondersteunen. Daarnaast staat het zelfbeheer van de bewoners centraal. Zij bepalen het doen en laten in de woongroep. Dergelijke woonprojecten kunnen ontstaan op initiatief van burgers, of onder leiding van een organisatie. Abbeyfield Vlaanderen zet bijvoorbeeld cohousingprojecten op voor 55-plussers, waarbij een team van gemotiveerde professionals en vrijwilligers toekomstige bewoners doorheen het traject begeleidt en ook na bewoning blijft ondersteunen. Nog een andere bijzondere, intergenerationele, woonvorm is kangoeroewonen. Je treft er gewoonlijk niet het Australische dier aan. Wel gezinnen van verschillende generaties. Vaak de combinatie van een jonger gezin met een oudere persoon, een ouder gezin of een persoon met een handicap. Ze spreken af om gemeenschappelijk te wonen en er is extra aandacht voor een zorgrelatie die reeds aanwezig is of anticiperend op de toekomst. Vaak wordt dat in familieverband georganiseerd, maar dat is niet noodzakelijk. Minister Hilde Crevits woont op die manier samen met haar kinderen, ouders én schoonouders, en omschrijft het als ‘zelfstandig en elk apart, maar toch met elkaar verbonden’. Hieronder valt ook een zorgwoning, een specifieke vorm van gemeenschappelijk wonen die vandaag ook als enige is opgenomen in de Vlaamse regelgeving.     Minister Hilde Crevits woont samen met haar kinderen, ouders én schoonouders, en omschrijft het als ‘zelfstandig en elk apart, maar toch met elkaar verbonden’.   Als bewoners samenleven onder één dak met beperkte privéruimte, doen ze aan huisdelen. Een bekende vorm van huisdelen is de woongroep, waarbij bewoners een gezinswoning delen met een eigen slaapkamer en soms een eigen badkamer. Denk aan jonge starters die samenwonen om de kosten te delen, maar ook ouderen die samenwonen om elkaar te helpen. Een andere vorm van huisdelen is de leefgemeenschap, waar mensen sterk verbonden zijn met elkaar, bijvoorbeeld door religie of een sociaal engagement. Er is echter nog een breder scala aan woonvormen en concepten dan enkel deze bovengenoemde, denk maar aan centraal wonen, gestippeld wonen en harmonica-wonen. Niet iedereen wil ‘alleen’ thuis blijven wonen We spreken in de internationale literatuur vaak van ‘Ageing in place’: ouderen die thuis blijven wonen. Onderzoek toont aan dat het overgrote deel van ouderen zo zelfstandig mogelijk thuis wilt blijven wonen. Maar niet voor iedereen wil dat zeggen dat dat moet in de vertrouwde gezinswoning waar iemand vaak al decennia woont. Zo kunnen er fysieke redenen zijn waarom ouderen niet meer thuis willen wonen, bijvoorbeeld wanneer de woning niet meer aangepast is aan veranderingen in gezondheidssituatie of mobiliteit (bijvoorbeeld veel trappen in de woning). De plek waar de woning ligt kan ook een reden vormen, zo wil men misschien in de natuur of dichter bij de stad wonen. En natuurlijk spelen sociale aspecten ook een rol in de beslissing om te verhuizen, en dan zeker naar een alternatieve woonvorm waar er een zekere mate van samenleven met anderen aanwezig is. Zo kiezen heel wat ouderen voor een dergelijke woonvorm omwille van de sociale omgeving waarin iemand terechtkomt en het gevoel van veiligheid door de sociale controle die daarbij komt kijken. Want wie naar een samenhuisvorm verhuist, kiest er bewust voor om nieuwe sociale relaties op te bouwen met (nieuwe) mede-bewoners, om zorgzame relaties op te bouwen en om (in meer of mindere mate) deel te nemen aan gezamenlijke activiteiten. Onderzoek toont dat voornamelijk (maar niet uitsluitend) alleenstaanden en vrouwen zich aangesproken voelen tot deze woonvorm. Zo toont ook de getuigenis van Angele (92) tijdens de campagne Kopzorgen. Zij woont samen met zeven vrienden en vriendinnen, waaronder zes alleenstaanden en één koppel, in cohousingproject Villa de Proost in Aarschot.   “Ik woonde alleen in een groot huis. Mijn kinderen kwamen af en toe langs en ik had poetshulp, maar verder zag ik niemand. Dankzij cohousing ben ik niet meer eenzaam.”Angele (92)   Tot slot kunnen er ook ecologische of financiële redenen zijn waardoor iemand wenst om naar een alternatieve woonvorm te verhuizen. Er worden vaak heel wat dagelijkse benodigdheden in dergelijke projecten gedeeld, zoals een wasmachine, auto, tuin- en werkmateriaal. Sommige projecten hebben extra aandacht voor duurzaamheid. En er zijn ook projecten waarbij de huurprijs lager ligt dan op de klassieke huurmarkt. Sommige ouderen verkiezen dus om naar een dergelijke woonvorm te verhuizen, omdat ze onvoldoende budget of energie hebben om hun huidige woning grondig aan te passen. Toch mogen we dit niet idealiseren, want de prijs is meteen ook één van de grote struikelblokken waarom dergelijke woonvormen nog onvoldoende van de grond komen. Heel wat van deze projecten kosten namelijk behoorlijk wat geld bij de opstart. De vraag groeit, het aanbod niet We merken dat er een stijgende vraag is naar innovatieve woonvormen en ook verschillende onderzoeken tonen aan dat steeds meer ouderen hier interesse in hebben. De publicatie ‘Levenskeuzes op latere leeftijd bij 60-plussers’ van de Koning Boudewijnstichting geeft aan dat voor 10% van de ouderen uit hun bevraging groepswonen een optie is en 12% overweegt kangroeroewonen of zorgwonen. Ook in ons HOUSE-project, waarin we samen met Universiteit Hasselt onderzoek voeren naar innovatieve woonconcepten, merken we de nood aan meer en betere informatie hierover. Binnen dit onderzoeksproject spraken we met 75 ouderen over hun woon-levensverhaal: het verleden, de huidige woning, hoe ze kijken naar hun toekomstige woonhoofdstuk en wat ze daarbij belangrijk achten. Daaruit bleek dat best wat mensen niet vinden wat ze zoeken in het huidige woon(zorg)aanbod. Dat bleef voor hen vaak beperkt tot het woonzorgcentrum of verhuizen naar een appartement of serviceflat. Tegelijkertijd werd door verschillende ouderen ook het samenwonen met anderen aangehaald als interessante piste. Maar vaak weten ze niet waar ze de zoektocht moeten beginnen of ontbreekt het aanbod op de plek waar ze willen wonen. Maar een betere informatiecampagne alleen zal het potentieel van deze woonvormen niet redden. Wil je als burger een project starten zonder begeleiding van een organisatie? Dan ben je al snel zo’n tien jaar bezig. Dat werkt ontmoedigend en vraagt daarnaast heel wat juridische en financiële kennis. Daarom is het goed als toekomstige bewoners zich laten begeleiden door organisaties, zoals bijvoorbeeld Samenhuizen of Abbeyfield, die informatie of ondersteuning bieden bij het vinden van een locatie, de bouwplannen, begeleiding bij juridische en financiële processen en meer.   Een andere moeilijkheid? Er is geen eenduidig beleidskader voor alternatieve woonvormen.    Een andere moeilijkheid is dat er geen eenduidig beleidskader is voor alternatieve woonvormen. Daarbij hinken we achterop met onze buurlanden, met uitzondering van Brussel als voorzichtige pionier in het regulariseren van gemeenschappelijke woonvormen. Bovendien heb je de verschillende bevoegdheden die aan alternatief wonen raken: welzijn, wonen en ruimtelijke ordening. Deze domeinen wijzen in elkaars richting, maar ze zouden juist kunnen samenwerken en een gemeenschappelijk kader uitwerken om deze verschillende woonvormen, voor ouderen, beter mogelijk te maken. Toch zien we dat naast organisaties en ouderen zelf, ook best wat lokale overheden de piste rond deze woonvormen aan het verkennen zijn. Een recent voorbeeld toont bijvoorbeeld de stad Mechelen die een modelconvenant rond cohousingsprojecten lanceerde in december 2023 om zo als stadsbestuur beter te kunnen inspelen op hedendaagse woonbehoeften van haar inwoners. Binnenkort opent er ook een nieuw Abbeyfieldhuis in een voormalig hotel. Eerder dit jaar publiceerde de Vlaamse Bouwmeester de gids ‘Samen Wonen Ontwerpen’, die ontwerpers moet inspireren voor de realisatie van een toekomstbestendig woonlandschap in Vlaanderen. De vraag naar alternatieve woonvormen stijgt dus duidelijk, en we zien dat burgers en ook heel wat andere actoren er klaar voor zijn. Maar de regelgeving en dus het aanbod volgen nog niet om aan de vraag te kunnen voldoen. De voordelen van alternatieve woonvormen Verschillende onderzoeken legden al verschillende voordelen bloot die ouderen ervaren eens ze de overstap maken naar een alternatieve woonvorm. Ten eerste is er de wederzijdse zorg en ondersteuning die bewoners elkaar kunnen bieden. Bijvoorbeeld boodschappen doen of eten maken. Voor zichzelf zorgen verloopt vlotter. De zelfredzaamheid wordt groter. Vooral voor ouderen die niet of weinig kunnen rekenen op familiale steun, is dat een belangrijk voordeel van alternatieve woonvormen. Ten tweede heerst er in alternatieve woonvormen een gevoel van verbondenheid. Gedeelde ruimtes zorgen bijna vanzelf voor dagelijkse sociale interacties en bewoners zijn actief betrokken bij elkaars welzijn. Die verbondenheid geldt trouwens ook voor de bredere omgeving. De gedeelde ruimtes van sommige woonprojecten kunnen worden gebruikt door verenigingen uit de buurt. Zo versterken bewoners hun sociaal netwerk, en dat is cruciaal voor hun welzijn. Als je weet dat sociaal isolement nefast kan zijn voor iemands gezondheid, is dat een extra sterk voordeel van alternatieve woonvormen.   Gedeelde ruimtes zorgen bijna vanzelf voor dagelijkse sociale interacties en bewoners zijn actief betrokken bij elkaars welzijn.   Ten derde is de woonomgeving in alternatieve woonvormen vaak voldoende aangepast aan de fysieke noden van ouderen en wat de veiligheid ten goede komt. Denk aan voldoende verlichte ruimtes, ingrepen om vallen te verhinderen, rolstoelvriendelijke toegang, verschillende vervoersmogelijkheden enzovoort. Dat bevordert ook nog eens deelname aan activiteiten en versterkt de sociale banden nog meer. Uiteraard brengt samenwonen met anderen ook uitdagingen met zich mee, zoals conflicten onder de bewoners, individuele wensen en noden die niet altijd overeenkomen met die van de groep, inboeten op privacy enzovoort. We mogen er ook niet automatisch van uitgaan dat er een zorgzame relatie tussen alle bewoners ontstaat. Toch wegen de voordelen vaak niet op tegen de mogelijke nadelen. Een opmerkelijke constatering uit onderzoek is dat veel bewoners, eenmaal ze verhuisd zijn naar een alternatieve woonvorm, sterk overwegen om daar nooit meer weg te gaan. Inspirerend voor woonzorgcentra Alternatieve woonvormen kunnen een antwoord bieden op de woonbehoeften van huidige en toekomstige ouderen. Al zijn ze niet voor iedereen de oplossing. Dat betekent dus niet dat andere, eerder traditionele, woonzorgvormen, zoals assistentiewoningen en woonzorgcentra, volledig moeten verdwijnen. De ontwikkeling van dergelijke alternatieve woonvormen kan bovendien inspirerend zijn voor woonzorgcentra. Bijvoorbeeld om zich kleinschaliger te organiseren, meer ingebed in de buurt en waar de nadruk veel meer op wonen komt te liggen. Beschouw alternatieve woonvormen als een uitbreiding van het huidige woonaanbod in de klassieke zorg. Daarmee onderschrijven we ook de opinie van Margot Cloet, voorzitter van Zorgnet Icuro, waarin ze woonzorgcentra omschrijft als een schakel in een hele zorgketen. Maar dat betekent dus ook dat alternatieve woonvormen zo’n schakel zijn, en nu is het aanbod gewoonweg te klein voor de groeiende vraag van een steeds diverser wordende ouderenpopulatie.

"Oud word je liefst niet alleen"

20-12-2023

Heel wat ouderen laten ons via Bepaal je eigen verhaal weten, dat ze openstaan voor alternatieve woonvormen. Maar vaak botsen ze op de betaalbaarheid ervan en op wettelijke moeilijkheden. Anja Declercq, directeur van LUCAS- Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy van KU Leuven, breekt een lans voor een structureel en betaalbaar aanbod van alternatieve woonvormen waarbij ouderen samenwonen of co-housen. Ze ziet er heel wat oplossingen in, onder meer om eenzaamheidsgevoelens bij ouderen te doen afnemen.   Misverstanden de wereld uit  Het is een misverstand dat ‘alle’ of ‘de meeste’ ouderen hulpbehoevend zijn. De meeste ouderen wonen zelfstandig thuis en kunnen zelf huishoudelijke en andere taken uitvoeren. Vele ouderen bieden zelfs hulp aan anderen. De Zorgenquête 2021 van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin toont dat bijna 22% van de Vlaamse mantelzorgers ouder is dan 65 jaar. Ze geven hulp en ondersteuning aan partners, ouders, kinderen of vrienden.   Ook bij de zorgvrijwilligers zijn ouderen sterk vertegenwoordigd: bijna 40% is 65 jaar of ouder. Dat op zich nuanceert al de stigmatiserende krantenkoppen over de kosten van de vergrijzing die de pan uitswingen. De economische waarde van de mantelzorg die ouderen geven en het vrijwilligerswerk dat ze doen, is niet te onderschatten.  Uitgebreid maar versnipperd zorgaanbod   Wanneer iemand dan toch moeite krijgt met wat men ‘activiteiten van het dagelijkse leven’ noemt, zoals poetsen, boodschappen doen of koken en in een latere fase ook met zich wassen en andere meer persoonlijke taken, dan is er vaak hulp beschikbaar. Uit de Zorgenquête 2021 blijkt eveneens dat 21,7% van de Vlaamse 65-plussers mantelzorg krijgt. Bijna 5% krijgt hulp van een zorgvrijwilliger en 21,1% krijgt professionele hulp. Velen combineren verschillende vormen van hulp en ondersteuning. En ongeveer 8% van de 65-plussers woont in een woonzorgcentrum. Het gaat vooral om oudere ouderen met ernstige fysieke en/of cognitieve problemen. In 2020 was hun gemiddelde leeftijd 87 jaar.  Het zorgaanbod is in Vlaanderen erg uitgebreid en behoorlijk toegankelijk. Er zijn uiteraard werkpunten. Zo heeft de gezinszorg nood aan verdere uitbreiding van het aantal gesubsidieerde uren en is het aanbod niet in elke regio even groot. Het landschap is ook erg versnipperd, wat het moeilijk maakt voor de gemiddelde burger om goed zijn of haar weg te vinden. Daar wordt evenwel aan gewerkt via initiatieven van de Vlaamse overheid zoals Alivia en de Eerstelijnszones.   Eenzaamheidsgevoelens  Maar een mens is meer dan een lichaam. Sociaal contact en het gevoel deel uit te maken van een samenleving, zijn minstens even belangrijk als praktische zorg en ondersteuning. Uit een onderzoek dat de Koning Boudewijnstichting liet uitvoeren, blijkt dat veel ouderen eenzaam zijn en dat dat probleem eerder toe- dan afneemt. Bovendien nemen deze gevoelens toe met de leeftijd. 17% van de 75- tot 79-jarigen voelt zich meerdere keren per week tot zelfs dagelijks (6%) eenzaam. 36% voelt zich af en toe eenzaam. Slechts 44% voelt zich nooit eenzaam. Bij de 80- tot 84-jarigen zijn de cijfers zelfs nog prangender. Eenzaamheid is sterk gerelateerd aan gezondheidsproblemen. Onderzoek wijst uit dat eenzaam zijn hetzelfde effect heeft op de gezondheid als het roken van vijftien sigaretten per dag. En dat herstel na een medische ingreep minder goed verloopt bij wie eenzaam is.      Sociaal contact en het gevoel deel uit te makenvan een samenleving, zijn minstens even belangrijkals praktische zorg en ondersteuning.   Eenzaamheid en sociaal isolement zijn niet hetzelfde. Eenzaamheid is een subjectief gevoel, sociaal isolement is een objectief beperkt aantal contacten. Beide zijn uiteraard gerelateerd, maar vallen niet samen. Ook het sociaal isolement neemt toe. Ongeveer een derde van de 65-plussers woont alleen. Door demografische evoluties en door veranderende patronen in relaties groeit dit percentage jaar na jaar. Alleen wonen impliceert niet alleen dat er geen inwonende mantelzorger is die eventueel wat meer intensieve zorg kan bieden. Het verhoogt ook de kans op sociaal isolement en eenzaamheid.   Ontmoeting verbetert de levenskwaliteit  Ruimte geven aan ontmoeting impliceert dus het verbeteren van de kwaliteit van leven en het preventief werken aan gezondheid. Dit kan op elk schaalniveau. Het dichts bij huis zijn de straat en de tuin. Een verbreding van het voetpad met een zitbank, een autoluw plein, een straatfeest, een gedeelde tuinstrook. Op niveau van de buurt kennen we parken en pleinen, maar voor veel ouderen zijn vooral de publieke binnenruimtes van grote waarde: de bibliotheek, het restaurant van het lokaal dienstencentrum of het buurtcentrum. Het zijn laagdrempelige plekken die openstaan voor iedereen, met de nodige voorzieningen, zoals sanitair, zitgelegenheid en cafetaria.     Ruimte geven aan ontmoetingimpliceert dus het verbeteren van de kwaliteit van levenen het preventief werken aan gezondheid.    Naast deze geprogrammeerde ruimtes heeft een buurt ook nood aan plekken waarvan de functie of het gebruik niet helemaal vastligt. Hier kunnen initiatieven spontaan ontstaan. Het zijn ruimtes die kansen bieden aan dat wat in het reguliere aanbod nog niet bestaat of geen plaats vindt. Daar liggen dus kansen voor lokale besturen en voor ruimtelijke ordening.  Maar ook wanneer die ruimtes er zijn, dan zijn de mogelijkheden tot ontmoeting vaak geconcentreerd tijdens een deel van de dag. Dienstencentra, buurtwerkingen en andere initiatieven voorzien vooral in de namiddag activiteiten. En dan is men toch nog vaak alleen ’s ochtends, ’s avonds en ‘s nachts. Eenzaamheid betreft ook het niet kunnen delen van dagdagelijkse dingen, zoals tv kijken of een praatje bij het ontbijt. Of de wetenschap dat er nog iemand in huis is voor het geval er iets onaangenaams gebeurt.  Hiaten in het zorgsysteem  Ons zorgsysteem biedt hier vooralsnog geen antwoord op. In een assistentiewoning leeft men ook alleen en wie geen zware zorgbehoefte heeft, kan niet in woonzorgcentrum terecht. Nochtans bieden zich regelmatig mensen aan bij woonzorgcentra omwille van een eenzaamheidsproblematiek. Ze voelen zich niet goed bij het alleen zijn en zijn soms angstig. Woonzorgcentra richten zich echter steeds meer – met uitzonderingen – op mensen met een zware zorgproblematiek. De wijze waarop ze worden gesubsidieerd, stimuleert selectie. Gezien het toenemend aantal oudere ouderen met hoge zorgnood, gecombineerd met een tekort aan geschikt personeel, is dit niet onterecht. Bovendien hebben eenzame en sociaal geïsoleerde ouderen gezelschap nodig, niet ondersteuning door gespecialiseerde zorgverleners.     Vormen van samenwonen of co-housingvoor ouderen zijn schaars.Initiatieven bestaan, maar lang niet overalen zeker niet betaalbaar voor iedereen.    Daarmee is het probleem van ouderen met eenzaamheidsgevoelens echter niet opgelost. Er is een hiaat in het systeem: vormen van samenwonen of co-housing voor ouderen zijn schaars. Initiatieven bestaan, maar lang niet overal en zeker niet betaalbaar voor iedereen. Er is geen structureel aanbod. Her en der ontstaan privé-initiatieven van meer begoede en hoogopgeleide mensen die met vrienden samen een huis of ander soort gebouw kopen en dat inrichten als een vorm van co-housing. Soms ook met infrastructuur zoals een extra appartement, voor een inwonende zorgverlener.   Abbeyfield Vlaanderen organiseert kleinschalige co-housing voor 55-plussers. In Antwerpen en Kontich heeft een sociale huisvestingsmaatschappij Senioren Thuis-projecten en de website Homemates helpt mensen die iemand zoeken om samen een woning te delen. In Alveringem vinden we, op initiatief van Familiehulp, de seniorenhoeve Carpe Diem. Wellicht zijn er nog wel voorbeelden, maar het gaat telkens om lokale initiatieven en 'pilootprojecten'. Bovendien is er geen aangepaste regelgeving, want er zijn ook wel addertjes onder het gras: het co-housing project Villa De Proost in Rillaar moest sluiten omdat de overheid het beschouwde als een woonzorgcentrum zonder erkenning.   Nood aan structureel en betaalbaar aanbod  Er is nood aan een structureel aanbod dat betaalbaar is voor iedereen. Dat levensbestendig is. En dat is minstens gedeeltelijk een taak voor een overheid. De eventuele kost die eraan is verbonden, wordt gecompenseerd door uitstel van verhuis naar een woonzorgcentrum en minder ziekenhuisopnames. Minder eenzaamheid zal immers een positief effect hebben op de gezondheid en de bewoners zullen elkaar ondersteunen en helpen. Bovendien komen hun vaak te grote en onaangepaste woningen vrij voor jonge gezinnen. Voor de thuiszorg betekent het minder tijdsverlies door het afleggen van grote afstanden tussen individuele huizen. En gezinszorg kan minstens gedeeltelijk voor een groep ouderen tegelijk gegeven worden. Waar wachten we dus nog op?   

"De zin en onzin van onze assistentiewoningen"

14-12-2023

Een woonvorm die een tussenvorm biedt voor de eigen woning en het woonzorgcentrum, zo worden assistentiewoningen meestal omschreven. Toch lijkt die woonvorm niet voor iedereen weggelegd. Bovendien botsen de assistentiewoningen op hun beperkingen. Luc Goossens is emeritus professor aan de Universiteit Antwerpen en onafhankelijk deskundige binnen de Vlaamse Ouderenraad. Hij ziet in elke woning idealiter een assistentiewoning. Want iedereen kan in z’n leven nood hebben aan hulp, ondersteuning en zorg.   Een comfortabel huis als opstap voor participatie  Kwaliteitsvol wonen draait om veel meer dan de beschikking over een comfortabel huis. Je woning is namelijk je materiële uitvalsbasis voor leven en samenleven, als individu en als huishouden. Het is de uitvalsbasis voor mogelijkheden in de omgeving en deelname aan de samenleving. Die deelname verschilt uiteraard al naargelang je individuele mogelijkheden en behoeften.   En ook bij ouderen spelen zowel capaciteiten als kwetsbaarheden. Van zodra iemand met pensioen gaat, valt voor de meeste ouderen de werk- en tijdsstructuur van hun professionele leven weg. Tegelijk openen zich meteen ook ‘fenomenale’ vrije tijdsluiken. Wie met dat uitzicht creatief omgaat maakt nooit kennis met het zwarte gat. Anderzijds zullen de meeste ouderen vrede moeten nemen met de eerder bescheiden financiële mogelijkheden van een doorsnee pensioen. Verder zullen zich met de jaren hoe dan ook fysieke beperkingen aandienen die op termijn gepaste zorg vragen en mogelijk tot eenzaamheidsgevoelens kunnen leiden.  Toegegeven, in wezen vertolkt deze situatieschets enkel de contouren van de autochtone oudere mannelijke gewezen werknemer. Ze doet ongetwijfeld afbreuk aan de variëteit van ander dagelijks leven ‘op rust’ binnen de superdiverse samenleving. Met die ‘nuance’ in het achterhoofd, wil ik hier het dossier van de Vlaamse assistentiewoningen kritisch bevragen. Ik introduceer daarmee het hoognodig debat rond wat nodig is inzake (ouderen)zorg én inzake wonen. En vooral het debat over het broodnodige geïntegreerd woonzorgbeleid, vereist om in Vlaanderen voor individueel en collectief welzijn te zorgen.  Assistentiewoningen, een geïsoleerd project op vijf vlakken  Assistentiewoningen kunnen op het moment dat er zich hulpvragen voordoen, antwoorden bieden. Ze staan immers garant voor een toegankelijke woning, de aanwezigheid van een woonassistent, gemeenschappelijke ruimtes en zorg die binnen bereik gebracht wordt wanneer dat nodig is. En toch kan deze vorm van wonen op meerdere vlakken leiden tot isolatie.     Assistentiewoningen kunnen op het momentdat er zich hulpvragen voordoen, antwoorden bieden.  En toch kan deze vorm van wonenop meerdere vlakken leiden tot isolatie.     Ten eerste omdat het stelsel van de assistentiewoningen, weliswaar geïnitieerd door de Vlaamse overheid, zo goed als volledig aan privé-initiatief wordt overgelaten. Er zijn weinig of geen overheidsmiddelen bij betrokken en er is amper overheidsaandacht, van enige programmatie is geen sprake en inspectie is er amper. Dat zorgt voor heel wat blinde vlekken en vragen, onder meer op vlak van het profiel van de investeerders, eigenaars of bewoners, de kwaliteit van het geboden comfort en op vlak van de verstrekte zorg of de normen inzake inplanting. De website van ‘Gezondheid en Welzijn’ laat dat trouwens zelf ook verstaan: “… waar u op moet letten als u een assistentiewoning uitkiest. Zijn er winkels in de buurt? Is er een ontmoetingsruimte? Hoe wordt de factuur samengesteld?” Of samengevat: Investeerders en bewoners, vecht het onder elkaar uit!   Een geïsoleerd project ook, omdat het zo goed als exclusief ouderen betreft, en dan nog wel voornamelijk de financieel sterkeren. Alsof mensen met een beperking, (alleenstaande) ouders met kinderen, nieuwkomers, ex-gevangenen, mensen in armoede, … geen assistentie en geen zorg behoeven.   Geïsoleerd ten derde, omdat de groepen van assistentiewoningen ruimtelijk zo goed als gelijk waar als autonome wooneilandjes kunnen ingeplant worden. Los van enige bestaande infrastructuur of woonkern in die omgeving.   Geïsoleerd ten vierde, omdat zowel binnen ‘wonen’ als binnen ‘zorg’ talloze andere woonzorgcombinaties bestaan waarop zou kunnen of moeten ingespeeld worden. Denk aan sociale verhuurkantoren, begeleid wonen, thuiszorg, mantelzorgwoningen, kangoeroewoningen, zorgzame buurten, woonzorgcentra, …   Geïsoleerd tot slot, omdat ook ouderen, zelfs in een geslaagde groep van assistentiewoningen, gebaat zijn bij samenleven in ‘volledige’ (super)diverse woonkernen. Al was het maar omdat de jongere(n) en actieve ‘locals’ dan ook op die ouderen kunnen rekenen.  Behoorlijk bestuur!  Op zoek naar een beleidsmodel liggen twee essentiële uitgangspunten voor de hand. Vooreerst kunnen we misschien de basisprincipes die onze federale en regionale parlementen zelf vooropstellen, nakomen: recht op wonen (in de Grondwet en in de Vlaamse Wooncodex) en recht op zorg (Sociale Zekerheid) voor iedereen.     We mogen van de Vlaamse regeringtoch wel verwachten dat ze, wat ze zelf schrijft,ook effectief kan toepassen.   Maar ten tweede, en nu nog concreter, mogen we van de Vlaamse regering toch wel verwachten dat ze, wat ze zelf schrijft, ook effectief kan toepassen. Zowel de minister van Wonen als de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, lieten in hun beleidsnota 2019-2024 vermelden dat ‘wonen’ en ‘zorg’ in nauw onderling overleg zouden worden uitgewerkt. Die terechte stellingname vinden we trouwens ook al in de context van het woonzorgdecreet van 15 februari 2019: “Het Woonzorgdecreet moet de regelgeving voor welzijn, wonen en zorg beter op elkaar afstemmen en zo samenwerkingen vergemakkelijken en aanmoedigen. Het decreet wil een kwaliteitsvol zorgcontinuüm scheppen, met aandacht voor sociale inclusie”.  De nonchalante onverschilligheid die de Vlaamse regeringen zich inzake de assistentiewoningen veroorloofden, schuurt niet alleen met de mooie principes, ze is op zich al stuitend. Veel erger nog is het systemisch karakter van die onverschilligheid. Als we ons beperken tot wonen en zorg hoeven we maar naar de collectie wachtlijsten in de woonzorgcentra, de geestelijke gezondheidszorg en de sociale huursector te verwijzen, en - tegen aantoonbaar beter weten in - naar de vlotte privatisering van meerdere initiatieven. Even stuitend is de hooghartige manier waarop, zonder verantwoording, al jarenlang zorgvuldig academisch onderzoek terzijde geschoven wordt. Bijvoorbeeld om ongestoord de betere middenklassen te blijven bedienen en zodoende de kwetsbare burgers in de kou te laten.   Frappant is bovendien dat noch de woonzorgcentra, noch de assistentiewoningen door de decreetgever uitdrukkelijk en verplicht ingebed worden in al bestaande zorginitiatieven zoals de eerstelijnszones, de ‘zorgzame buurten’ of het ‘Geïntegreerd Breed Onthaal’ (GBO).  En dat die op zich inspirerende initiatieven niet tot een geïntegreerd geheel worden uitgewerkt. Een analoge bedenking geldt uiteraard ook voor de sociale woningen, waar de vergrijzing onvermijdelijk meer dagelijkse beleidsingrepen vereist. In 2022 telde de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) 54 373 referentiehuurders of hoofdhuurders ouder dan 65 jaar. Heel concreet blijkt in realiteit dat een derde van de sociale huurders gepensioneerd is. Zeker binnen die vergrijzingscontext zou de aandacht voor de te verwachten bijbehorende zorgaanwas binnen de VMSW nu een aandachtspunt van eerste orde moeten zijn. Het tegendeel lijkt het geval volgens parlementaire waarnemers met aandacht voor de zorg: “Het is onduidelijk waarom sociale huisvestingsmaatschappijen zo weinig inzetten op assistentiewoningen, aangezien het bekend is dat ze een beperkt aanbod hebben voor mensen met een zorgnood.“  Binnen de sociale woonmaatschappijen echter, blijken de reserves niet alleen aangaande de assistentiewoningen, maar betreffende de hele aanpak van wonen en welzijn een probleem. De complexiteit is tot in de hoogste verantwoordelijke beleidskringen behoorlijk goed gekend. Maar van de beloofde (meer) onderlinge afstemming tussen de beleidsdomeinen ‘wonen’ en ‘zorg’ is in de praktijk nog niet veel te merken.  Iedereen moet vroeg of laat op assistentie kunnen rekenen  Die dringende onderlinge afstemming manifesteert zich trouwens voor tal van sociale groepen. Alleenstaande ouders met kinderen, armen, dak- en thuislozen, ex-gedetineerden, mensen met een beperking, nieuwkomers, ouderen, … stuk voor stuk gelden ze (vooral?) als focusgroepen voor ‘welzijn en zorg’ maar lopen ze, gezien de lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen, veel risico om bij ‘wonen’ een blauwtje te lopen. Zelfs de meer klassieke werkende lagere middenklasse worstelt in toenemende mate met kwaliteits- en betaalbaarheidsproblemen op de woningmarkt.    Van de beloofde onderlinge afstemmingtussen de beleidsdomeinen ‘wonen’ en ‘zorg’is in de praktijk nog niet veel te merken.    Hoezeer er dus ook specifieke aandacht nodig is voor de noden van de groeiende groep ouderen in Vlaanderen, de vereiste bijbehorende woon- en zorginspanningen moeten onvermijdelijk in geïntegreerd verband gebeuren. Slecht wonen hypothekeert namelijk onvermijdelijk welke andere beleidsinspanning dan ook. Bovendien kost het de samenleving fortuinen: het maakt ziek, leidt tot werkverlet en zo tot economisch verlies, en zadelt de betrokkenen en de sociale zekerheid op met vermijdbare kosten. Goed en betaalbaar wonen is daarom de meest alomvattende preventie voor individueel en maatschappelijk welzijn.   Assistentie binnen een breed geïntegreerd woon-, zorg- & welzijnsbeleid  Concreet kunnen dus niet alleen ouderen met zorgnoden geconfronteerd worden of gewoon naar gezelschap hunkeren. Ook kerngezonde werkende jonge ouders hebben geregeld, zo niet dagelijks, nood aan kinderopvang, naschools of tijdens de vakanties. Daarvoor zouden ouderen in een diverse buurt, waar school en woonzorgcentrum verbonden zijn, (deels) mee borg kunnen staan. Samen sterk met andere woorden, want complementair.   In principe vertrekken de Vlaamse woonzorgformules, zoals woonzorgcentra en assistentiewoningen, vanuit de prima gedachte dat wonen en zorg als het ware een twee-eenheid vormen. Maar het welzijnsbeleid focust exclusief op ‘probleemcategorieën’ (waaronder ouderen) met fysiek- en mentaal-medische noden. De Vlaamse Codex Wonen hanteert sinds 1997 wel een breder perspectief: “Iedereen heeft recht op menswaardig wonen. Daartoe moet de beschikking over een aangepaste woning, van goede kwaliteit, in een behoorlijke woonomgeving, tegen een betaalbare prijs en met woonzekerheid worden bevorderd.” Breder zowel naar aantal als naar draagwijdte: iedereen behoort volgens deze codex tot het doelpubliek, en wonen wordt in zijn volle betekenis gehanteerd. Inclusief een hoogstaand zorgniveau en een volwaardig voorzieningenniveau.    Woonbeleid zal lokaal zijn of het zal niet zijn.   Zonder afbreuk te doen aan noodzakelijke gespecialiseerde woonzorginitiatieven, moet als uitgangspunt gelden dat iedereen, het hele gamma aan bewonerstypes, recht heeft op wooncondities die beantwoorden aan de dagelijkse noden. Woonbeleid zal daarom in wezen lokaal zijn of het zal niet zijn. Of naar de woorden van de VVSG: “Lokaal woonbeleid is per definitie integraal. 'Wonen' heeft belangrijke raakvlakken met andere beleidsdomeinen, zoals ruimtelijke ordening, armoedebeleid, leefbaarheid, wonen voor ouderen (ouderenbeleid), energie, welzijn, duurzaamheid, ...” Iedereen in Vlaanderen zou met andere woorden - en anders dan vandaag op vele plaatsen het geval is - binnen een redelijke afstand moeten kunnen rekenen op buurtwinkels, veilige fietspaden, een geldautomaat, groenvoorziening, een ‘breed informatie’-loket, lokale ontmoetingsplaatsen, frequent openbaar vervoer, rolstoelvriendelijke voetpaden en gebouwen, een lokaal zorgcentrum, …  Voor iedereen een (virtuele) assistentiewoning  Bovenstaand pleidooi vertrekt van de gedachte dat behoorlijk wonen (in de brede betekenis) voor iedereen een recht is, omdat het de unieke letterlijke en figuurlijke basis is voor persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing. Alle individuele en collectieve dimensies starten er omdat de woning en de woonomgeving alle dimensies van het dagelijks leven samenbrengen en veronderstellen. Van intimiteit, rust en geborgenheid, over de behoefte aan voeding, drank en lichaamsverzorging, aan spel, sport en ontspanning, aan opleiding en vorming, … tot sociale contacten en politieke participatie.    De overheid moet borg staanvoor de vereiste overkoepelende beleidskaders.Alleen zo zal iedereen zijn ‘eigen’ woningkunnen ‘upgraden’toteen volwaardige persoonlijke assistentiewoning.    Omdat wonen en dagelijks leven zich onvermijdelijk vooral lokaal afspelen, moet vooral de gemeente als democratische, collectieve overleg- en bestuursinstantie een sturende rol van betekenis spelen bij de fysiek-ruimtelijke en sociaal-organisatorische vorming van de lokale woonzorggemeenschap. Dat ontslaat de centrale overheden niet van de taak borg te staan voor de vereiste overkoepelende beleidskaders en -budgetten die lokaal welzijn kunnen inspireren en bevorderen. Door in te zetten op de verplichte toegankelijkheid van nieuwe woningen, onder andere. Door het beleid rond (sociaal) wonen en zorg veel meer te integreren. En door in elke buurt te bouwen aan een zorgzame buurt, op maat van iedereen. Alleen zo zal iedereen in Vlaanderen op elk gelegen en ongelegen moment zijn ‘eigen’ woning kunnen (laten) ‘upgraden’ tot een volwaardige persoonlijke assistentiewoning. 

Meer nieuws & activiteiten

Blijf op de hoogte

Wil je op de hoogte blijven van alle campagnenieuwtjes? Volg ons vanop de eerste rij door je te abonneren op de campagnenieuwsbrief.

Schrijf je in op de nieuwsbrief

Het verloop van de campagne

Doe mee!

Maart 2023 - september 2023

We analyseren al jullie ideeën en wensen

najaar 2023

We maken onze campagneresultaten bekend bij beleidsmakers

Maart 2024