Skip to main content
home-page
Deel op facebook
Deel op twitter
home-page
Deel op facebook
Deel op twitter
Ga terug naar het overzicht van nieuwsitems

“Het aanbod alternatieve woonvormen is te klein voor de groeiende vraag van een steeds diverser wordende ouderenpopulatie”

‘Senioren gaan samen op kot’ of ‘Drie generaties onder één dak’ zijn krantenkoppen die steeds vaker verschijnen. Nieuwe woonvormen voor ouderen zijn in trek, het thema leeft. Toch is het deel ouderen dat ervoor kiest nog eerder beperkt.

Wat begrijpen we onder deze woonvormen? Waarom zouden we hiervoor kiezen als we ouder worden? En waarom krijgen ze moeilijk voet aan de grond? An-Sofie Smetcoren is professor aan de Vrije Universiteit Brussel. Binnen de groep Society and Ageing Research Lab leidt ze verschillende projecten binnen de onderzoekslijn ‘Wonen en woonomgeving’. Ze doctoreerde in 2016 op het thema ‘ouderen en wonen’ en ook vandaag blijft dat de kern van haar onderzoek. In dit opiniestuk vertelt ze waarom alternatieve woonvormen een goede aanvulling vormen op het bestaande woonpartrimonium, en welke drempels er nog zijn ondanks de groeiende interesse.

Breed scala aan alternatieve woonvormen

Afgelopen jaren merkten we een groeiende aandacht voor alternatieve woonvormen. Zowel in de samenleving, in de media als in internationaal onderzoek. Maar het blijft een wirwar van benamingen waarover best nog veel onduidelijkheid bestaat. Ook al doen organisaties zoals bijvoorbeeld Samenhuizen vzw pogingen om daar klaarheid in te scheppen. Kortweg ligt bij dergelijke woonvormen de focus eerder op het zelfstandig wonen dan op het zorgaspect, zoals we dat kennen binnen een woonzorgcentrum of assistentiewoning. Daarnaast is in veel gevallen ook een collectieve component aanwezig en spreken we eerder van gemeenschappelijk wonen.

De meest bekende benaming is misschien wel cohousing en verwijst naar een woonvorm waar bewoners naast hun privéruimte ook bepaalde leefruimtes delen. Zo is er in deze woonvorm vaak een gedeelde keuken en woonruimte aanwezig waar bewoners enkele keren per week afspreken om samen te eten. Gelijkaardig is co-wonen. Het verschil is dat bewoners in deze woonvorm geen ‘leef’ maar eerder praktische ruimtes delen, zoals een tuin, wasruimte, werkatelier enzovoort. Zowel binnen cohousing als co-wonen worden de gedeelde ruimtes op die manier georganiseerd dat spontane interactie tussen de bewoners mogelijk wordt. De bedoeling is echt om een gemeenschap te vormen onder de bewoners: elkaar ontmoeten, leren kennen, samen activiteiten ondernemen en mogelijks elkaar uiteindelijk ook ondersteunen. Daarnaast staat het zelfbeheer van de bewoners centraal. Zij bepalen het doen en laten in de woongroep. Dergelijke woonprojecten kunnen ontstaan op initiatief van burgers, of onder leiding van een organisatie. Abbeyfield Vlaanderen zet bijvoorbeeld cohousingprojecten op voor 55-plussers, waarbij een team van gemotiveerde professionals en vrijwilligers toekomstige bewoners doorheen het traject begeleidt en ook na bewoning blijft ondersteunen.

Nog een andere bijzondere, intergenerationele, woonvorm is kangoeroewonen. Je treft er gewoonlijk niet het Australische dier aan. Wel gezinnen van verschillende generaties. Vaak de combinatie van een jonger gezin met een oudere persoon, een ouder gezin of een persoon met een handicap. Ze spreken af om gemeenschappelijk te wonen en er is extra aandacht voor een zorgrelatie die reeds aanwezig is of anticiperend op de toekomst. Vaak wordt dat in familieverband georganiseerd, maar dat is niet noodzakelijk. Minister Hilde Crevits woont op die manier samen met haar kinderen, ouders én schoonouders, en omschrijft het als ‘zelfstandig en elk apart, maar toch met elkaar verbonden’. Hieronder valt ook een zorgwoning, een specifieke vorm van gemeenschappelijk wonen die vandaag ook als enige is opgenomen in de Vlaamse regelgeving.  

 

Minister Hilde Crevits woont samen met haar
kinderen, ouders én schoonouders,
en omschrijft het als
‘zelfstandig en elk apart, maar toch met elkaar verbonden’.

 

Als bewoners samenleven onder één dak met beperkte privéruimte, doen ze aan huisdelen. Een bekende vorm van huisdelen is de woongroep, waarbij bewoners een gezinswoning delen met een eigen slaapkamer en soms een eigen badkamer. Denk aan jonge starters die samenwonen om de kosten te delen, maar ook ouderen die samenwonen om elkaar te helpen. Een andere vorm van huisdelen is de leefgemeenschap, waar mensen sterk verbonden zijn met elkaar, bijvoorbeeld door religie of een sociaal engagement. Er is echter nog een breder scala aan woonvormen en concepten dan enkel deze bovengenoemde, denk maar aan centraal wonen, gestippeld wonen en harmonica-wonen.

Niet iedereen wil ‘alleen’ thuis blijven wonen

We spreken in de internationale literatuur vaak van ‘Ageing in place’: ouderen die thuis blijven wonen. Onderzoek toont aan dat het overgrote deel van ouderen zo zelfstandig mogelijk thuis wilt blijven wonen. Maar niet voor iedereen wil dat zeggen dat dat moet in de vertrouwde gezinswoning waar iemand vaak al decennia woont.

Zo kunnen er fysieke redenen zijn waarom ouderen niet meer thuis willen wonen, bijvoorbeeld wanneer de woning niet meer aangepast is aan veranderingen in gezondheidssituatie of mobiliteit (bijvoorbeeld veel trappen in de woning). De plek waar de woning ligt kan ook een reden vormen, zo wil men misschien in de natuur of dichter bij de stad wonen. En natuurlijk spelen sociale aspecten ook een rol in de beslissing om te verhuizen, en dan zeker naar een alternatieve woonvorm waar er een zekere mate van samenleven met anderen aanwezig is. Zo kiezen heel wat ouderen voor een dergelijke woonvorm omwille van de sociale omgeving waarin iemand terechtkomt en het gevoel van veiligheid door de sociale controle die daarbij komt kijken. Want wie naar een samenhuisvorm verhuist, kiest er bewust voor om nieuwe sociale relaties op te bouwen met (nieuwe) mede-bewoners, om zorgzame relaties op te bouwen en om (in meer of mindere mate) deel te nemen aan gezamenlijke activiteiten. Onderzoek toont dat voornamelijk (maar niet uitsluitend) alleenstaanden en vrouwen zich aangesproken voelen tot deze woonvorm. Zo toont ook de getuigenis van Angele (92) tijdens de campagne Kopzorgen. Zij woont samen met zeven vrienden en vriendinnen, waaronder zes alleenstaanden en één koppel, in cohousingproject Villa de Proost in Aarschot.

 

“Ik woonde alleen in een groot huis.
Mijn kinderen kwamen af en toe langs en ik had poetshulp,
maar verder zag ik niemand.
Dankzij cohousing ben ik niet meer eenzaam.”
Angele (92)

 

Tot slot kunnen er ook ecologische of financiële redenen zijn waardoor iemand wenst om naar een alternatieve woonvorm te verhuizen. Er worden vaak heel wat dagelijkse benodigdheden in dergelijke projecten gedeeld, zoals een wasmachine, auto, tuin- en werkmateriaal. Sommige projecten hebben extra aandacht voor duurzaamheid. En er zijn ook projecten waarbij de huurprijs lager ligt dan op de klassieke huurmarkt. Sommige ouderen verkiezen dus om naar een dergelijke woonvorm te verhuizen, omdat ze onvoldoende budget of energie hebben om hun huidige woning grondig aan te passen. Toch mogen we dit niet idealiseren, want de prijs is meteen ook één van de grote struikelblokken waarom dergelijke woonvormen nog onvoldoende van de grond komen. Heel wat van deze projecten kosten namelijk behoorlijk wat geld bij de opstart.

De vraag groeit, het aanbod niet

We merken dat er een stijgende vraag is naar innovatieve woonvormen en ook verschillende onderzoeken tonen aan dat steeds meer ouderen hier interesse in hebben. De publicatie ‘Levenskeuzes op latere leeftijd bij 60-plussers’ van de Koning Boudewijnstichting geeft aan dat voor 10% van de ouderen uit hun bevraging groepswonen een optie is en 12% overweegt kangroeroewonen of zorgwonen.

Ook in ons HOUSE-project, waarin we samen met Universiteit Hasselt onderzoek voeren naar innovatieve woonconcepten, merken we de nood aan meer en betere informatie hierover. Binnen dit onderzoeksproject spraken we met 75 ouderen over hun woon-levensverhaal: het verleden, de huidige woning, hoe ze kijken naar hun toekomstige woonhoofdstuk en wat ze daarbij belangrijk achten. Daaruit bleek dat best wat mensen niet vinden wat ze zoeken in het huidige woon(zorg)aanbod. Dat bleef voor hen vaak beperkt tot het woonzorgcentrum of verhuizen naar een appartement of serviceflat. Tegelijkertijd werd door verschillende ouderen ook het samenwonen met anderen aangehaald als interessante piste. Maar vaak weten ze niet waar ze de zoektocht moeten beginnen of ontbreekt het aanbod op de plek waar ze willen wonen.

Maar een betere informatiecampagne alleen zal het potentieel van deze woonvormen niet redden. Wil je als burger een project starten zonder begeleiding van een organisatie? Dan ben je al snel zo’n tien jaar bezig. Dat werkt ontmoedigend en vraagt daarnaast heel wat juridische en financiële kennis. Daarom is het goed als toekomstige bewoners zich laten begeleiden door organisaties, zoals bijvoorbeeld Samenhuizen of Abbeyfield, die informatie of ondersteuning bieden bij het vinden van een locatie, de bouwplannen, begeleiding bij juridische en financiële processen en meer.

 

Een andere moeilijkheid?
Er is geen eenduidig beleidskader
voor alternatieve woonvormen. 

 

Een andere moeilijkheid is dat er geen eenduidig beleidskader is voor alternatieve woonvormen. Daarbij hinken we achterop met onze buurlanden, met uitzondering van Brussel als voorzichtige pionier in het regulariseren van gemeenschappelijke woonvormen. Bovendien heb je de verschillende bevoegdheden die aan alternatief wonen raken: welzijn, wonen en ruimtelijke ordening. Deze domeinen wijzen in elkaars richting, maar ze zouden juist kunnen samenwerken en een gemeenschappelijk kader uitwerken om deze verschillende woonvormen, voor ouderen, beter mogelijk te maken.

Toch zien we dat naast organisaties en ouderen zelf, ook best wat lokale overheden de piste rond deze woonvormen aan het verkennen zijn. Een recent voorbeeld toont bijvoorbeeld de stad Mechelen die een modelconvenant rond cohousingsprojecten lanceerde in december 2023 om zo als stadsbestuur beter te kunnen inspelen op hedendaagse woonbehoeften van haar inwoners. Binnenkort opent er ook een nieuw Abbeyfieldhuis in een voormalig hotel. Eerder dit jaar publiceerde de Vlaamse Bouwmeester de gids ‘Samen Wonen Ontwerpen’, die ontwerpers moet inspireren voor de realisatie van een toekomstbestendig woonlandschap in Vlaanderen. De vraag naar alternatieve woonvormen stijgt dus duidelijk, en we zien dat burgers en ook heel wat andere actoren er klaar voor zijn. Maar de regelgeving en dus het aanbod volgen nog niet om aan de vraag te kunnen voldoen.

De voordelen van alternatieve woonvormen

Verschillende onderzoeken legden al verschillende voordelen bloot die ouderen ervaren eens ze de overstap maken naar een alternatieve woonvorm. Ten eerste is er de wederzijdse zorg en ondersteuning die bewoners elkaar kunnen bieden. Bijvoorbeeld boodschappen doen of eten maken. Voor zichzelf zorgen verloopt vlotter. De zelfredzaamheid wordt groter. Vooral voor ouderen die niet of weinig kunnen rekenen op familiale steun, is dat een belangrijk voordeel van alternatieve woonvormen.

Ten tweede heerst er in alternatieve woonvormen een gevoel van verbondenheid. Gedeelde ruimtes zorgen bijna vanzelf voor dagelijkse sociale interacties en bewoners zijn actief betrokken bij elkaars welzijn. Die verbondenheid geldt trouwens ook voor de bredere omgeving. De gedeelde ruimtes van sommige woonprojecten kunnen worden gebruikt door verenigingen uit de buurt. Zo versterken bewoners hun sociaal netwerk, en dat is cruciaal voor hun welzijn. Als je weet dat sociaal isolement nefast kan zijn voor iemands gezondheid, is dat een extra sterk voordeel van alternatieve woonvormen.

 

Gedeelde ruimtes zorgen bijna vanzelf
voor dagelijkse sociale interacties
en bewoners zijn actief betrokken
bij elkaars welzijn.

 

Ten derde is de woonomgeving in alternatieve woonvormen vaak voldoende aangepast aan de fysieke noden van ouderen en wat de veiligheid ten goede komt. Denk aan voldoende verlichte ruimtes, ingrepen om vallen te verhinderen, rolstoelvriendelijke toegang, verschillende vervoersmogelijkheden enzovoort. Dat bevordert ook nog eens deelname aan activiteiten en versterkt de sociale banden nog meer.

Uiteraard brengt samenwonen met anderen ook uitdagingen met zich mee, zoals conflicten onder de bewoners, individuele wensen en noden die niet altijd overeenkomen met die van de groep, inboeten op privacy enzovoort. We mogen er ook niet automatisch van uitgaan dat er een zorgzame relatie tussen alle bewoners ontstaat. Toch wegen de voordelen vaak niet op tegen de mogelijke nadelen. Een opmerkelijke constatering uit onderzoek is dat veel bewoners, eenmaal ze verhuisd zijn naar een alternatieve woonvorm, sterk overwegen om daar nooit meer weg te gaan.

Inspirerend voor woonzorgcentra

Alternatieve woonvormen kunnen een antwoord bieden op de woonbehoeften van huidige en toekomstige ouderen. Al zijn ze niet voor iedereen de oplossing. Dat betekent dus niet dat andere, eerder traditionele, woonzorgvormen, zoals assistentiewoningen en woonzorgcentra, volledig moeten verdwijnen. De ontwikkeling van dergelijke alternatieve woonvormen kan bovendien inspirerend zijn voor woonzorgcentra. Bijvoorbeeld om zich kleinschaliger te organiseren, meer ingebed in de buurt en waar de nadruk veel meer op wonen komt te liggen.

Beschouw alternatieve woonvormen als een uitbreiding van het huidige woonaanbod in de klassieke zorg. Daarmee onderschrijven we ook de opinie van Margot Cloet, voorzitter van Zorgnet Icuro, waarin ze woonzorgcentra omschrijft als een schakel in een hele zorgketen. Maar dat betekent dus ook dat alternatieve woonvormen zo’n schakel zijn, en nu is het aanbod gewoonweg te klein voor de groeiende vraag van een steeds diverser wordende ouderenpopulatie.

Deel op facebook
Deel op twitter