Skip to main content
home-page
Deel op facebook
Deel op twitter
home-page
Deel op facebook
Deel op twitter
Ga terug naar het overzicht van nieuwsitems

"De zin en onzin van onze assistentiewoningen"

Een woonvorm die een tussenvorm biedt voor de eigen woning en het woonzorgcentrum, zo worden assistentiewoningen meestal omschreven. Toch lijkt die woonvorm niet voor iedereen weggelegd. Bovendien botsen de assistentiewoningen op hun beperkingen. Luc Goossens is emeritus professor aan de Universiteit Antwerpen en onafhankelijk deskundige binnen de Vlaamse Ouderenraad. Hij ziet in elke woning idealiter een assistentiewoning. Want iedereen kan in z’n leven nood hebben aan hulp, ondersteuning en zorg.  

Een comfortabel huis als opstap voor participatie 

Kwaliteitsvol wonen draait om veel meer dan de beschikking over een comfortabel huis. Je woning is namelijk je materiële uitvalsbasis voor leven en samenleven, als individu en als huishouden. Het is de uitvalsbasis voor mogelijkheden in de omgeving en deelname aan de samenleving. Die deelname verschilt uiteraard al naargelang je individuele mogelijkheden en behoeften.  

En ook bij ouderen spelen zowel capaciteiten als kwetsbaarheden. Van zodra iemand met pensioen gaat, valt voor de meeste ouderen de werk- en tijdsstructuur van hun professionele leven weg. Tegelijk openen zich meteen ook ‘fenomenale’ vrije tijdsluiken. Wie met dat uitzicht creatief omgaat maakt nooit kennis met het zwarte gat. Anderzijds zullen de meeste ouderen vrede moeten nemen met de eerder bescheiden financiële mogelijkheden van een doorsnee pensioen. Verder zullen zich met de jaren hoe dan ook fysieke beperkingen aandienen die op termijn gepaste zorg vragen en mogelijk tot eenzaamheidsgevoelens kunnen leiden. 

Toegegeven, in wezen vertolkt deze situatieschets enkel de contouren van de autochtone oudere mannelijke gewezen werknemer. Ze doet ongetwijfeld afbreuk aan de variëteit van ander dagelijks leven ‘op rust’ binnen de superdiverse samenleving. Met die ‘nuance’ in het achterhoofd, wil ik hier het dossier van de Vlaamse assistentiewoningen kritisch bevragen. Ik introduceer daarmee het hoognodig debat rond wat nodig is inzake (ouderen)zorg én inzake wonen. En vooral het debat over het broodnodige geïntegreerd woonzorgbeleid, vereist om in Vlaanderen voor individueel en collectief welzijn te zorgen. 

Assistentiewoningen, een geïsoleerd project op vijf vlakken 

Assistentiewoningen kunnen op het moment dat er zich hulpvragen voordoen, antwoorden bieden. Ze staan immers garant voor een toegankelijke woning, de aanwezigheid van een woonassistent, gemeenschappelijke ruimtes en zorg die binnen bereik gebracht wordt wanneer dat nodig is. En toch kan deze vorm van wonen op meerdere vlakken leiden tot isolatie.  

 

Assistentiewoningen kunnen op het moment
dat er zich hulpvragen voordoen, antwoorden bieden.  
En toch kan deze vorm van wonen
op meerdere vlakken leiden tot isolatie.  

 

Ten eerste omdat het stelsel van de assistentiewoningen, weliswaar geïnitieerd door de Vlaamse overheid, zo goed als volledig aan privé-initiatief wordt overgelaten. Er zijn weinig of geen overheidsmiddelen bij betrokken en er is amper overheidsaandacht, van enige programmatie is geen sprake en inspectie is er amper. Dat zorgt voor heel wat blinde vlekken en vragen, onder meer op vlak van het profiel van de investeerders, eigenaars of bewoners, de kwaliteit van het geboden comfort en op vlak van de verstrekte zorg of de normen inzake inplanting. De website van ‘Gezondheid en Welzijn’ laat dat trouwens zelf ook verstaan: “… waar u op moet letten als u een assistentiewoning uitkiest. Zijn er winkels in de buurt? Is er een ontmoetingsruimte? Hoe wordt de factuur samengesteld?” Of samengevat: Investeerders en bewoners, vecht het onder elkaar uit!  

Een geïsoleerd project ook, omdat het zo goed als exclusief ouderen betreft, en dan nog wel voornamelijk de financieel sterkeren. Alsof mensen met een beperking, (alleenstaande) ouders met kinderen, nieuwkomers, ex-gevangenen, mensen in armoede, … geen assistentie en geen zorg behoeven.  

Geïsoleerd ten derde, omdat de groepen van assistentiewoningen ruimtelijk zo goed als gelijk waar als autonome wooneilandjes kunnen ingeplant worden. Los van enige bestaande infrastructuur of woonkern in die omgeving.  

Geïsoleerd ten vierde, omdat zowel binnen ‘wonen’ als binnen ‘zorg’ talloze andere woonzorgcombinaties bestaan waarop zou kunnen of moeten ingespeeld worden. Denk aan sociale verhuurkantoren, begeleid wonen, thuiszorg, mantelzorgwoningen, kangoeroewoningen, zorgzame buurten, woonzorgcentra, …  

Geïsoleerd tot slot, omdat ook ouderen, zelfs in een geslaagde groep van assistentiewoningen, gebaat zijn bij samenleven in ‘volledige’ (super)diverse woonkernen. Al was het maar omdat de jongere(n) en actieve ‘locals’ dan ook op die ouderen kunnen rekenen. 

Behoorlijk bestuur! 

Op zoek naar een beleidsmodel liggen twee essentiële uitgangspunten voor de hand. Vooreerst kunnen we misschien de basisprincipes die onze federale en regionale parlementen zelf vooropstellen, nakomen: recht op wonen (in de Grondwet en in de Vlaamse Wooncodex) en recht op zorg (Sociale Zekerheid) voor iedereen.  

 

We mogen van de Vlaamse regering
toch wel verwachten dat ze, wat ze zelf schrijft,
ook effectief kan toepassen.

 

Maar ten tweede, en nu nog concreter, mogen we van de Vlaamse regering toch wel verwachten dat ze, wat ze zelf schrijft, ook effectief kan toepassen. Zowel de minister van Wonen als de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, lieten in hun beleidsnota 2019-2024 vermelden dat ‘wonen’ en ‘zorg’ in nauw onderling overleg zouden worden uitgewerkt. Die terechte stellingname vinden we trouwens ook al in de context van het woonzorgdecreet van 15 februari 2019: “Het Woonzorgdecreet moet de regelgeving voor welzijn, wonen en zorg beter op elkaar afstemmen en zo samenwerkingen vergemakkelijken en aanmoedigen. Het decreet wil een kwaliteitsvol zorgcontinuüm scheppen, met aandacht voor sociale inclusie”. 

De nonchalante onverschilligheid die de Vlaamse regeringen zich inzake de assistentiewoningen veroorloofden, schuurt niet alleen met de mooie principes, ze is op zich al stuitend. Veel erger nog is het systemisch karakter van die onverschilligheid. Als we ons beperken tot wonen en zorg hoeven we maar naar de collectie wachtlijsten in de woonzorgcentra, de geestelijke gezondheidszorg en de sociale huursector te verwijzen, en - tegen aantoonbaar beter weten in - naar de vlotte privatisering van meerdere initiatieven. Even stuitend is de hooghartige manier waarop, zonder verantwoording, al jarenlang zorgvuldig academisch onderzoek terzijde geschoven wordt. Bijvoorbeeld om ongestoord de betere middenklassen te blijven bedienen en zodoende de kwetsbare burgers in de kou te laten.  

Frappant is bovendien dat noch de woonzorgcentra, noch de assistentiewoningen door de decreetgever uitdrukkelijk en verplicht ingebed worden in al bestaande zorginitiatieven zoals de eerstelijnszones, de ‘zorgzame buurten’ of het ‘Geïntegreerd Breed Onthaal’ (GBO).  En dat die op zich inspirerende initiatieven niet tot een geïntegreerd geheel worden uitgewerkt.

Een analoge bedenking geldt uiteraard ook voor de sociale woningen, waar de vergrijzing onvermijdelijk meer dagelijkse beleidsingrepen vereist. In 2022 telde de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) 54 373 referentiehuurders of hoofdhuurders ouder dan 65 jaar. Heel concreet blijkt in realiteit dat een derde van de sociale huurders gepensioneerd is. Zeker binnen die vergrijzingscontext zou de aandacht voor de te verwachten bijbehorende zorgaanwas binnen de VMSW nu een aandachtspunt van eerste orde moeten zijn. Het tegendeel lijkt het geval volgens parlementaire waarnemers met aandacht voor de zorg: “Het is onduidelijk waarom sociale huisvestingsmaatschappijen zo weinig inzetten op assistentiewoningen, aangezien het bekend is dat ze een beperkt aanbod hebben voor mensen met een zorgnood.“ 

Binnen de sociale woonmaatschappijen echter, blijken de reserves niet alleen aangaande de assistentiewoningen, maar betreffende de hele aanpak van wonen en welzijn een probleem. De complexiteit is tot in de hoogste verantwoordelijke beleidskringen behoorlijk goed gekend. Maar van de beloofde (meer) onderlinge afstemming tussen de beleidsdomeinen ‘wonen’ en ‘zorg’ is in de praktijk nog niet veel te merken. 

Iedereen moet vroeg of laat op assistentie kunnen rekenen 

Die dringende onderlinge afstemming manifesteert zich trouwens voor tal van sociale groepen. Alleenstaande ouders met kinderen, armen, dak- en thuislozen, ex-gedetineerden, mensen met een beperking, nieuwkomers, ouderen, … stuk voor stuk gelden ze (vooral?) als focusgroepen voor ‘welzijn en zorg’ maar lopen ze, gezien de lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen, veel risico om bij ‘wonen’ een blauwtje te lopen. Zelfs de meer klassieke werkende lagere middenklasse worstelt in toenemende mate met kwaliteits- en betaalbaarheidsproblemen op de woningmarkt. 

 

Van de beloofde onderlinge afstemming
tussen de beleidsdomeinen ‘wonen’ en ‘zorg’
is in de praktijk nog niet veel te merken. 

 

Hoezeer er dus ook specifieke aandacht nodig is voor de noden van de groeiende groep ouderen in Vlaanderen, de vereiste bijbehorende woon- en zorginspanningen moeten onvermijdelijk in geïntegreerd verband gebeuren. Slecht wonen hypothekeert namelijk onvermijdelijk welke andere beleidsinspanning dan ook. Bovendien kost het de samenleving fortuinen: het maakt ziek, leidt tot werkverlet en zo tot economisch verlies, en zadelt de betrokkenen en de sociale zekerheid op met vermijdbare kosten. Goed en betaalbaar wonen is daarom de meest alomvattende preventie voor individueel en maatschappelijk welzijn.  

Assistentie binnen een breed geïntegreerd woon-, zorg- & welzijnsbeleid 

Concreet kunnen dus niet alleen ouderen met zorgnoden geconfronteerd worden of gewoon naar gezelschap hunkeren. Ook kerngezonde werkende jonge ouders hebben geregeld, zo niet dagelijks, nood aan kinderopvang, naschools of tijdens de vakanties. Daarvoor zouden ouderen in een diverse buurt, waar school en woonzorgcentrum verbonden zijn, (deels) mee borg kunnen staan. Samen sterk met andere woorden, want complementair.  

In principe vertrekken de Vlaamse woonzorgformules, zoals woonzorgcentra en assistentiewoningen, vanuit de prima gedachte dat wonen en zorg als het ware een twee-eenheid vormen. Maar het welzijnsbeleid focust exclusief op ‘probleemcategorieën’ (waaronder ouderen) met fysiek- en mentaal-medische noden. De Vlaamse Codex Wonen hanteert sinds 1997 wel een breder perspectief: “Iedereen heeft recht op menswaardig wonen. Daartoe moet de beschikking over een aangepaste woning, van goede kwaliteit, in een behoorlijke woonomgeving, tegen een betaalbare prijs en met woonzekerheid worden bevorderd.” Breder zowel naar aantal als naar draagwijdte: iedereen behoort volgens deze codex tot het doelpubliek, en wonen wordt in zijn volle betekenis gehanteerd. Inclusief een hoogstaand zorgniveau en een volwaardig voorzieningenniveau. 

 

Woonbeleid zal lokaal zijn of het zal niet zijn.

 

Zonder afbreuk te doen aan noodzakelijke gespecialiseerde woonzorginitiatieven, moet als uitgangspunt gelden dat iedereen, het hele gamma aan bewonerstypes, recht heeft op wooncondities die beantwoorden aan de dagelijkse noden. Woonbeleid zal daarom in wezen lokaal zijn of het zal niet zijn. Of naar de woorden van de VVSG: “Lokaal woonbeleid is per definitie integraal. 'Wonen' heeft belangrijke raakvlakken met andere beleidsdomeinen, zoals ruimtelijke ordening, armoedebeleid, leefbaarheid, wonen voor ouderen (ouderenbeleid), energie, welzijn, duurzaamheid, ...” Iedereen in Vlaanderen zou met andere woorden - en anders dan vandaag op vele plaatsen het geval is - binnen een redelijke afstand moeten kunnen rekenen op buurtwinkels, veilige fietspaden, een geldautomaat, groenvoorziening, een ‘breed informatie’-loket, lokale ontmoetingsplaatsen, frequent openbaar vervoer, rolstoelvriendelijke voetpaden en gebouwen, een lokaal zorgcentrum, … 

Voor iedereen een (virtuele) assistentiewoning 

Bovenstaand pleidooi vertrekt van de gedachte dat behoorlijk wonen (in de brede betekenis) voor iedereen een recht is, omdat het de unieke letterlijke en figuurlijke basis is voor persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing. Alle individuele en collectieve dimensies starten er omdat de woning en de woonomgeving alle dimensies van het dagelijks leven samenbrengen en veronderstellen. Van intimiteit, rust en geborgenheid, over de behoefte aan voeding, drank en lichaamsverzorging, aan spel, sport en ontspanning, aan opleiding en vorming, … tot sociale contacten en politieke participatie. 

 

De overheid moet borg staan
voor de vereiste overkoepelende beleidskaders.
Alleen zo zal iedereen zijn ‘eigen’ woning
kunnen ‘upgraden’tot
een volwaardige persoonlijke assistentiewoning. 

 

Omdat wonen en dagelijks leven zich onvermijdelijk vooral lokaal afspelen, moet vooral de gemeente als democratische, collectieve overleg- en bestuursinstantie een sturende rol van betekenis spelen bij de fysiek-ruimtelijke en sociaal-organisatorische vorming van de lokale woonzorggemeenschap. Dat ontslaat de centrale overheden niet van de taak borg te staan voor de vereiste overkoepelende beleidskaders en -budgetten die lokaal welzijn kunnen inspireren en bevorderen. Door in te zetten op de verplichte toegankelijkheid van nieuwe woningen, onder andere. Door het beleid rond (sociaal) wonen en zorg veel meer te integreren. En door in elke buurt te bouwen aan een zorgzame buurt, op maat van iedereen. Alleen zo zal iedereen in Vlaanderen op elk gelegen en ongelegen moment zijn ‘eigen’ woning kunnen (laten) ‘upgraden’ tot een volwaardige persoonlijke assistentiewoning. 

Deel op facebook
Deel op twitter